|
|

|
Galilei Galilei, Om de
waarheid en de wetenschap. Brieven en beschouwingen.
Groningen, Historische Uitgeverij, verschijnt voorjaar 2010.
Voorwoord en
Inleiding door Margriet Agricola
VOORWOORD
Galileo Galilei (1564-1642) kennen we als de natuurwetenschapper die in
1633 door de Kerk werd gedwongen om tegen zijn oprechte overtuiging in
te ontkennen dat de aarde om de zon draait. Minder bekend is dat het
eigenlijke natuurwetenschappelijke en theologische debat over de
juistheid van het heliocentrische systeem al eerder gevoerd was,
namelijk in de periode 1610-1615. Het is in het kader van dit eerdere
debat dat in de jaren 1613-1615 de brieven schreeft ter verdediging van
Copernicuś heliocentrische systeem, met de expliciete bedoeling te
voorkomen dat deze leer verboden zou worden. Het heeft niet mogen
baten, want in 1616 werd toch het kerkelijk decreet uitgevaardigd
waarin het eenieder verboden werd de copernicaanse leer aan te hangen
en te verspreiden. In de hieronder weerggeven Inleiding wordt verteld
hoe Galilei's spectaculaire telescopische ontdekkingen de aanleiding
vormden voor het debat over de 'copernicaanse kwestie'.
Maar wie was Copernicus ook al weer, en waarom moest juist Galilei hem
zeventig jaar na diens dood verdedigen? Nicolaus Copernicus (1473 1543)
was de Poolse astronoom die in zijn hoofdwerk De Revolutionibus Orbium
Caelestium
('Over de omwentelingen van de hemellichamen') uit 1543 een
heliocentrisch systeem had uitgewerkt en verantwoord, en die er
bovendien van overtuigd was dat de door hem beschreven structuur een
correcte weergave van de werkelijkheid was. Het werk was geschreven in
het Latijn en bestemd voor collega wiskundigen en astronomen - voor een
ruimer publiek was het simpelweg te moeilijk. Galilei kende het als
hoogleraar wiskunde uiteraard wel, en toen hij in het jaar 1609 met
zijn zelfgebouwde telescoop enkele spectaculaire astronomische
ontdekkingen deed, presenteerde hij zij deze uit volle overtuiging,
maar niettemin ten onrechte, als een bewijs voor de heliocentrische
theorie van Copernicus.
Op dat moment was het werk van Copernicus dus al ruim zeventig jaar in
omloop, en al die tijd had de Kerk aan hem en zijn heliocentrische
systeem geen enkele aanstoot genomen. Maar nu, door het rumoer dat er
na Galilei's publicatie over ontstond, werd zij wakker en moest Galilei
zich verweren.
INLEIDING
I
Spectaculaire ontdekkingen
Galileo Galilei werd in 1564 geboren in Pisa, als zoon van Giulia
Ammannati en Vincenzo Galilei, een musicus en componist van
Florentijnse afkomst. Toen Galilei tien jaar was verhuisde het gezin
naar Florence. Enkele jaren later, in 1581, keerde Galilei terug naar
zijn geboortestad Pisa om daar medicijnen te studeren. Dat hij deze
studie al snel liet vallen om zich aan de exacte en toegepaste
wetenschappen te wijden, bleek een goede greep, want reeds in 1589 werd
hij, pas 25 jaar oud, benoemd als hoogleraar wiskunde aan de
universiteit van Pisa. Drie jaar later, in 1592, kreeg hij een
professoraat aan de universiteit van Padua aangeboden, en deze post zou
hij achttien jaar lang bezetten.
In het nawoord van John North is te lezen welke waarnemingen en
contacten met collega's Galilei in deze periode stapsgewijs en relatief
laat overtuigden van de juistheid van het copernicaanse systeem. Voor
deze inleiding beperken we ons tot de telescopische ontdekkingen uit de
jaren 1609-1610. Deze ontdekkingen markeren weliswaar de laatste stap
in Galileís bekering tot het copernicaanse wereldbeeld, maar ze
vormden de prelude op de gebeurtenissen die de aanleiding waren voor de
Brieven en Beschouwingen in deze uitgave.
In 1609 hoorde Galilei van zijn vriend en collega Paolo Sarpi over de
wonderbaarlijke uitvinding van brillenmaker Hans Lippershey uit
Middelburg: het 'kijkglas' (kort nadien herdoopt tot 'telescoop'), een
wonderbaarlijk instrument waarmee bijvoorbeeld schepen op grote afstand
konden worden geïdentificeerd. Op basis van de beschrijving
die
Sarpi van het instrument had gegeven, heeft Galilei zelf een verbeterde
versie gebouwd en deze vervolgens als eerste op de nachtelijke hemel te
hebben gericht. Met zijn zelfgebouwde telescoop ontdekte Galilei in
december van dat jaar behalve de bergen en kraters op het oppervlak van
de maan (een smet op de aristotelische notie van de perfectie van de
hemellichamen) en de ontelbare sterren van de Melkweg (die dus geen
dichte ether was zoals voorheen werd aangenomen) ook de vier manen van
Jupiter (een tegenbewijs voor het ptolemeïsche uitgangspunt
dat
alle hemellichamen om de aarde draaien). En de grootste verassing was
dat Venus net als onze maan een volledige set van fasen bleek te
doorlopen, want daarmee kwam onomstotelijk vast te staan dat deze
planeet om de zon draaide en niet om de aarde.
Het verslag van al deze ontdekkingen werd in 1610 gepubliceerd in de Sidereus Nuncius
('De sterrenboodschapper'). Galilei had het werk opgedragen aan zijn
voormalige pupil groothertog Cosimo II de' Medici van Toscane (1590
1620). Deze kon blijkbaar de geste wel waarderen, want kort nadien, in
juli van datzelfde jaar, benoemde hij de inmiddels wereldberoemde
geleerde tot 'mathematicus primarius' aan zijn hof. Omdat Galilei in
deze functie was vrijgesteld van onderwijsverplichtingen, hoefde hij
niet langer de traditionele astronomie te onderwijzen waar hij niet
meer achter stond, en kon hij bovendien al zijn tijd aan zijn
wetenschappelijk onderzoek besteden. Wat hij zich op dat moment
wellicht niet realiseerde, was dat hij in deze nieuwe functie niet
langer de vrijheid genoot die hij in Padua had gehad. Padua viel
namelijk onder het machtige Venetië dat in haar gebied geen
activiteiten van de Inquisitie duldde, terwijl in Florence en in heel
Toscane de Kerk juist grote invloed had.
In het voorjaar van 1611 reisde Galilei naar Rome om de steun te
verwerven van de jezuïeten van het Collegio Romano (de
universiteit van de jezuïeten), die mogelijk zouden kunnen
bevorderen dat de heliocentrische theorie door de kerkelijke
autoriteiten erkend zou worden of op zijn minst objectief beoordeeld
zou worden. De jezuïeten, die zelf eveneens telescopische
waarnemingen hadden verricht, keken op hun beurt ook met grote
belangstelling uit naar het bezoek van Galilei. In Rome werd Galilei
als een held onthaald, niet alleen door de astronomen van het Collegio
Romano en verschillende kardinalen, maar ook door de prestigieuze
'Accademia dei Lincei'. Dit gezelschap van geleerden was in 1603
opgericht door Federico Cesi en zette zich in voor de promotie van
nieuwe wetenschappelijke ideeën. Nu had Galilei er in zijn
Romeinse voordrachten geen geheim van gemaakt dat hij had gebroken met
de traditionele, op middeleeuwse leest geschoeide wetenschap waarin
uitspraken van voorgangers eindeloos tegen elkaar werden afgewogen en
dat hij in plaats daarvan zijn conclusies baseerde op waarnemingen en
experimenten. Het lag dus voor de hand dat de Accademia dei Lincei hem
vanaf dat moment onder haar hoede nam en een aantal van zijn
publicaties verzorgde.
II
Theologisch debat
In Rome hield Galilei enkele briljante voordrachten die druk bezocht
werden en waarmee hij veel bewondering oogstte. Unaniem geaccepteerd
werd het nieuwe heliocentrische systeem echter niet. Tekenend was de
reactie van Paolo Gualdo, een bevriende priester, die hem naar
aanleiding van zijn Romeinse triomfen liet weten 'met betrekking tot de
zaak van de ronddraaiende aarde tot op heden geen filosoof of astroloog
[sic] te hebben gevonden die uw mening wil onderschrijven, en nog veel
minder een theoloog die daartoe bereid zou zijn'. Net als andere
vrienden probeerde hij Galilei ervan te weerhouden in de discussie over
de structuur van de hemelen openlijk stelling te nemen voor het
copernicaanse systeem, maar Galilei zelf interpreteerde zijn succes in
Rome als een bewijs dat hij geen repercussies te vrezen had en met een
gerust hart zijn pleidooi voor wat hij beschouwde als de absolute
waarheid kon voortzetten. Onder auspiciën van de Accademia dei
Lincei publiceerde Galilei in 1613 dan ook de Istoria e dimostrazioni
intorno alle macchie solari in tre lettere ('Beschrijving van de
zonnevlekken en daaruit voortvloeiende bewijzen in drie brieven',
meestal kortweg ́Brief over de zonnevlekkeń genoemd), waarin hij op
basis van de verschuivingen van het vlekkenpatroon aantoont dat de zon
om haar as draait en hij zich bovendien voor het eerst openlijk en
zonder voorbehoud uitspreekt voor het copernicaanse systeem. En dat
laatste leidde ertoe dat Galilei - tegen zijn zin - betrokken raakte
bij het debat over de autoriteit van de Bijbel versus de autoriteit van
de wetenschap.
Het intellectuele verzet tegen Galilei werd behalve door theologische
bezwaren ook ingegeven door persoonlijke en sociaal-economische
drijfveren, en in de Brieven in deze uitgave verwijst Galilei
regelmatig naar tegenstanders die op oneigenlijke gronden tegen hem in
het geweer zijn gekomen. Nu had de scherpe en vaak provocatieve
argumentatie waarmee Galilei de aristotelische wetenschap en haar
beoefenaars belachelijk placht te maken hem veel rancuneuze vijanden
opgeleverd, die inderdaad op alle mogelijke manieren probeerden afbreuk
te doen aan de roem en het prestige dat hij had weten te vergaren. Aan
de universiteit van Pisa hadden Galilei's tegenstanders zich
gegroepeerd rond niemand minder dan de rector van de universiteit,
Arturo Pannocchieschi. Galilei duidde deze groep aan als 'la lega del
pippione', naar de spotnaam voor de Florentijnse amateurfilosoof
Lodovico delle Colombe (een 'pippione' is een tamme duif of 'colomba',
maar betekent tevens 'dwaas'), die een van de belangrijkste
aanstichters lijkt te zijn geweest van de hetze tegen Galilei.
In de Brieven beklaagt Galilei zich verscheidene malen over het feit
dat zijn vervolgers voor hun aantijgingen geen geldige argumenten
kunnen aanvoeren. Ook de leden van de 'lega del Pippione' zelf moeten
hebben beseft dat de Heilige Schrift een veel effectiever wapen was om
Galilei tot zwijgen te brengen dan de rede. Het heeft er alle schijn
van dat zij bij gebrek aan rationele argumenten bewust hebben besloten
de Kerk voor hun karretje te spannen, en dat zij het feit dat het
heliocentrisme in tegenspraak leek met een groot aantal schriftpassages
hebben aangegrepen om de Inquisitie te bewegen het copernicaanse
systeem als 'ketters' te veroordelen. Lodovico delle Colombe beet in
deze campagne het spits af en zette met zijn pamflet Contro il moto della Terra
('Tegen de beweging van de aarde', 1610-1611) als eerste de Bijbel in
als wapen. Als impliciete uitdaging aan de aanhangers van Copernicus
een poging tot bijbelexegese te wagen, voert hij verscheidene
schriftpassages aan waaruit zou blijken dat de aarde stilstaat en de
zon beweegt. Het betreft onder meer de psalmverzen 93:1 ('Ook heeft hij
de wereld vastgezet, onwankelbaar'), 104:5 ('Hij heeft de aarde op haar
steunsels gegrondvest, zodat zij nooit ofte nimmer wankelt'), en
19:5c-6 ('Hij heeft een tent geplaatst voor de zon, die, gelijk een
bruidegom die uit zijn slaapvertrek treedt, juichend als een reus zijn
baan doorloopt'), alsmede Jozua 10:12-13, een wat langere passage
waarin beschreven wordt hoe God op verzoek van Jozua, wiens leger in de
veldslag tegen de Amorieten aan de winnende hand was, de dag verlengde
door de Zon - en niet de Aarde - stil te zetten en aldus Jozua
voldoende tijd zou hebben gegeven het karwei af te maken: 'Toen sprak
Jozua tot de Heer, ten dage dat de Heer de Amorieten aan de
Israëlieten overleverde, en zei in tegenwoordigheid van
Israël: Zon, sta stil in Gibeon, en maan, in Ajjalons dal. En
stil
stond de zon, en staan bleef de maan, totdat het volk zich op zijn
vijanden gewroken had. Dit staat geschreven in het Boek des
Rechtschapenen. En de zon bleef halverwege de hemel staan en spoedde
zich niet ten ondergang, omstreeks een volle dag'.
Omdat zijn Istoria e
dimostrazioni intorno alle macchie solari
was gepubliceerd in het Italiaans, waren de nieuwe ontdekkingen en de
copernicaanse ideeën nu voor alle nieuwsgierige lezers
toegankelijk, en mede dankzij de inspanningen van de 'lega del
pippione' richtte de belangstelling van experts en amateurs zich al
spoedig niet zozeer op de complexe astronomische en natuurkundige
details, als wel op de schriftvragen die het nieuwe systeem opriep: hoe
moest men nu het wonder interpreteren dat God op verzoek van Jozua had
verricht? Deze vraag kwam ook aan de orde toen Vrouwe Christina van
Lotharingen, de zeer vrome groothertogin-weduwe van Toscane, in de
winter van 1613 een aantal academici van de universiteit van Pisa had
uitgenodigd aan haar tafel. Tijdens de maaltijd had zij de
benedictijner monnik Benedetto Castelli (hoogleraar wiskunde en
leerling van Galilei) gevraagd naar Galilei's laatste astronomische
ontdekkingen, en in het gesprek dat zich daarop ontspon had een van de
andere gasten, de strikt aristotelische hoogleraar filosofie Cosimo
Boscaglia, erop gewezen dat de copernicaanse hypothese in tegenspraak
was met de bewuste passage in Jozua en daarom niet juist kon zijn.
Castelli had geantwoord dat wetenschappelijke kwesties op hun eigen
merites moesten worden beoordeeld. Hij schreef een volledig verslag van
dit gesprek aan Galilei, die daarop besloot dat het moment was
aangebroken om de uitdaging met de Schrift aan te gaan en de
theologische bezwaren tegen het copernicaanse systeem te weerleggen. In
zijn uitvoerige antwoord
aan Castelli (de eerste brief in deze uitgave)
heeft hij voor het eerst zijn argumenten uitgewerkt en op een rijtje
gezet en tevens voor de bewuste passage van Jozua een verrassende
verklaring aangedragen.
Galilei was geen kerkhervormer en het was geenszins zijn opzet de Kerk
schade te berokkenen. Zijn doel was de wetenschap los te maken van de
theologie, zonder met betrekking tot vragen die het geloof betreffen de
bevoegdheid van de theologen ter discussie te willen stellen. Hij had
erop gerekend dat hij dit met zijn brief aan Castelli afdoende had
duidelijk gemaakt en onderbouwd en dat de zaak daarmee was afgedaan. De
brief had echter niet het beoogde effect, want in plaats van zijn
tegenstanders tot zwijgen te brengen, had hij hun een gevaarlijk wapen
in handen gegeven. Van de bewuste brief was namelijk een groot aantal
kopieën in omloop, die uiteraard niet allemaal even zorgvuldig
waren overgeschreven. Een van deze vervormde brieven was in handen
gekomen van de jonge dominicaan Tommaso Caccini, die in december 1614,
een jaar nadat de brief geschreven was, tijdens zijn preek in de
kathedraal van Florence heftig uitvoer tegen Galilei en andere
'mathematici' die ideeën tegen de Schrift zouden verspreiden.
Vrienden van Galilei reageerden geschokt en eisten excuus, en ook
Galilei zelf probeerde zijn aanhang te mobiliseren. Hij schreef diverse
brieven naar invloedrijke personen, waaronder de twee brieven in deze
uitgave van 16 februari en 23 maart 1615 aan monseigneur Piero Dini in
Rome. De aanval werd echter gaande gehouden door een van Caccini's
medebroeders, ene pater Lorini, die ernstig verontrust was over het
feit dat een simpele 'mathematicus' het had gewaagd uitspraken te doen
in theologische aangelegenheden. Twee maanden na Caccini's preek, in
februari 1615, bracht deze Lorini een kopie van Galilei's Brief aan
Castelli naar de Inquisitie in Rome en tekende hij officieel bezwaar
aan tegen het feit dat een leek theologen voorschreef hoe zij de
Schrift dienden uit te leggen. De Inquisitie besloot daarop een
onderzoek in te stellen.
Aangiftes, procedures en onderzoek van de Inquisitie waren omgeven met
de grootste geheimhouding, maar Galilei was niettemin op de hoogte van
Lorini's klacht. Hij maakte zich grote zorgen over de mogelijkheid dat
de theorie van Copernicus officieel verboden zou worden, en in een
poging het gevaar af te wenden en zich tegelijkertijd teweer te stellen
tegen de aanvallen van zijn tegenstanders, legde hij in een drietal
essays zijn visie vast. Het eerste essay resulteerde in de beroemde
'Brief aan groothertogin Christina' uit 1615 (de vierde brief in deze
uitgave), waarin Galilei ingaat op de theologische tegenwerpingen tegen
het copernicaanse systeem. Het is een uitgewerkte versie van de brief
aan Castelli uit 1613, en geschreven met de bedoeling de kerkelijke
autoriteiten over te halen het copernicaanse systeem formeel te
erkennen opdat de Kerk de katholieke gelovigen niet met een
achterhaalde wereldvisie van zich zou vervreemden, of anders op zijn
minst geen partij te kiezen in een strikt wetenschappelijk debat, opdat
de Kerk zichzelf niet in verlegenheid zou brengen door een theorie af
te wijzen die op een dag waar zou kunnen blijken te zijn. Daarnaast was
het de bedoeling dat de brief gepubliceerd zou worden als 'pamflet' om
de publieke opinie te mobiliseren, maar als gevolg van de
gebeurtenissen in 1616 en het decreet van de Inquisitie is dat er niet
meer van gekomen. (Pas in 1636 werd een Latijnse versie van de brief
gepubliceerd bij Elzevier in Leiden). Galilei had ondertussen echter
wel bevorderd dat kopieën van de 'Brief aan groothertogin
Christina' in brede kring circuleerden.
In de 'Brief aan groothertogin Christina' verkent Galilei de algemene
principes van bijbelexegese en gaat hij in op de vraag wie gerechtigd
is tot een herinterpretatie van schriftpassages waarvan de letterlijke
betekenis in tegenspraak is met al of niet bewezen
natuurwetenschappelijke hypotheses. In het nawoord gaat John North
uitgebreid in op de filosofische en methodologische aspecten van deze
brief. Voor deze inleiding volstaan we met een korte aanduiding van de
onderwerpen die Galilei aan de orde stelt. Bij Augustinus en Thomas van
Aquino vond Galilei solide precedenten vond voor zijn positie, want ook
zij hadden in hun tijd al gewaarschuwd dat een absoluut oordeel over
een wetenschappelijke kwestie die niet van belang was voor het
zielenheil een risico met zich meebracht. Augustinus stelde dat wanneer
de wetenschap erin was geslaagd de waarheid van een
natuurwetenschappelijke bewering aan te tonen, de Schrift
dienovereenkomstig diende te worden geïnterpreteerd. In
aansluiting op Augustinus wijst Galilei op het verschil tussen
letterlijk en metaforisch taalgebruik in de Bijbel, en herinnert hij
aan het feit dat de Schrift geschreven is met de bedoeling zich
begrijpelijk te maken voor gewone mensen. Het is dus beter de betekenis
niet vast te leggen, opdat er later geen problemen ontstaan. Een ander
punt waar Galilei zich op richt is de uitspraak van het Concilie van
Trente dat in alle gevallen het unanieme oordeel van de kerkvaders
gevolgd moet worden. Galilei meent dat er geen sprake is van een
eensluidend oordeel van de kerkvaders over de heliocentrische
hypothese, simpelweg omdat deze mogelijkheid in de dagen van de
kerkvaders niet werd overwogen. Wanneer de kerkvaders derhalve zeggen
dat de zon opgaat en ondergaat, bedienen zij zich van de gangbare
woorden voor dit verschijnsel en doen zij geen uitspraak over de
constitutie van de wereld. Op grond van deze overwegingen neemt Galilei
de vrijheid schriftpassages die in tegenspraak lijken met de
heliocentrische hypothese zodanig te interpreteren dat de
tegenstrijdigheden wegvallen.
Het tweede en derde essay behelzen respectievelijk een weerlegging van
de stelling dat Copernicus zelf niet geloofd zou hebben dat het
heliocentrisme meer was dan een hypothese en een kennistheoretische
verhandeling over de validiteit van de copernicaanse hypothese. Deze
teksten vormen de eerste twee onderdelen van wat in de verzamelde
werken van Galilei is gerangschikt onder de 'Considerazioni circa
l'opinione copernicana' ('Beschouwingen over de opvatting van
Copernicus'), een drietal notities waarin Galilei de argumenten ten
behoeve van zijn pleidooi voor Copernicus had geordend en verzameld. De
manuscripten van deze essays zijn niet van een datum voorzien en
evenmin van een expliciete vermelding van Galilei als auteur, maar op
grond van de aangevoerde argumenten en het feit dat een aantal passages
nagenoeg letterlijk is overgenomen ten behoeve van diverse brieven, kan
worden vastgesteld dat ze door hem grotendeels in de loop van het jaar
1615 zijn geschreven. Op zijn laatst heeft Galilei eraan gewerkt in de
eerste twee maanden van 1616, dat wil zeggen in de laatste weken
voorafgaand aan het besluit van de Inquisitie om het copernicaanse
systeem als ketterij te veroordelen en te verbieden. Toen de beslissing
eenmaal was gevallen, had het uiteraard geen zin meer deze notities
verder uit te werken, en publicatie was hoe dan ook uitgesloten.
III
De rol van kardinaal Bellarmino
Het derde onderdeel van de 'Beschouwingen over de opvatting van
Copernicus' is niet zozeer een essay als wel een puntsgewijze
weerlegging van de argumenten die kardinaal Roberto Bellarmino S.J.,
hoogleraar aan het Collegio Romano en destijds pauselijk theoloog, had
opgesomd in zijn reactie op een publicatie van de gerespecteerde
karmeliet en theoloog Paolo Antonio Foscarini. De uitvoerige titel van
Foscarini's publicatie luidde Lettera
del r.p.m. Paolo Antonio Foscarini carmelitano sopra l'opinione de'
pittagorici e del Copernico della mobilità della Terra e
stablità del Sole e del nuovo pittagorico sistema del mondo
('Brief van pater karmeliet Paolo Antonio Foscarini over de
pythagorischenoot
1
en copernicaanse opvatting inzake de beweging van de aarde en de
stilstand van de zon'). De auteur kende Galilei niet persoonlijk, maar
was het met hem eens dat het ptolemeïsche systeem ondoelmatig
en
onwaarschijnlijk was. Hij had begrepen dat de nieuwe astronomie nog
niet door de kerkelijke autoriteiten erkend was, maar bij wijze van
service aan de Kerk was hij vast op de zaken vooruitgelopen en had hij
een poging gedaan de relevante schriftpassages te interpreteren in
overeenstemming met het copernicaanse systeem. Foscarini stelde
expliciet dat schriftpassages waarin natuurlijke verschijnselen
beschreven worden geen geloofswaarheden zijn. Omdat, zo schrijft hij,
de heilige schrijvers niet de bedoeling hadden 'ons de geheimen van de
natuur te onderwijzen' en zich voor deze verschijnselen van de gangbare
bewoordingen hebben bediend, zijn deze zaken het domein van
wetenschappelijk onderzoek. Een exemplaar van deze publicatie had
Foscarini ter beoordeling voorgelegd aan Kardinaal Bellarmino, met het
verzoek erop te reageren.
Bellarmino geeft in zijn antwoord aan Foscarini van 12 april 16153 (dat
in deze uitgave voorafgaand aan de puntsgewijze weerlegging van Galilei
in zijn geheel is opgenomen) in drie punten zijn visie weer. (1) Zolang
de theorie van Copernicus wordt gebruikt als hypothese ten behoeve van
berekeningen en voorspellingen over de bewegingen van de hemellichamen
is er geen enkel probleem, maar wanneer iemand deze hypothese als
realiteit presenteert, dat wil zeggen als een beschrijving van de
werkelijke constitutie van de hemelen, dan is dat 'gevaarlijk', omdat
het de autoriteit van de Schrift ondermijnt. (2) Wie beweert dat de
beweging van de zon en de stilstand van de aarde geen geloofswaarheden
zijn omdat deze zaken niet de moraal of het zielenheil betreffen,
vergist zich: omdat het in de Bijbel staat en alle daarin gedane
uitspraken vanwege de goddelijke oorsprong waar moeten zijn, is alles
wat in de Bijbel wordt geopenbaard per definitie een geloofswaarheid.
Zolang de wetenschap nog geen afdoende bewijs heeft geleverd van het
tegendeel, dient de Bijbel beschouwd te worden als een tekstboek over
de fysieke wereld. Met dit tweede punt refereerde Bellarmino aan het
decreet van Trente uit 1546, hetgeen inhield dat iedereen zich aan de
unanieme uitspraken van de kerkvaders diende te houden. De
desbetreffende bepaling uit dit decreet luidt:
Het
concilie
verklaart dat het aan niemand die afgaat op zijn eigen oordeel en aldus
de Schrift vervormt is toegestaan om aan de Schrift een betekenis te
geven die afwijkt van de betekenis die de Heilige Moeder de Kerk - die
als enige gerechtigd is te oordelen over de ware zin en betekenis -
daaraan heeft toegekend en toekent, of die afwijkt van de unanieme
interpretatie van de kerkvaders.
(3)
Ten aanzien van het standpunt van Augustinus
(i.c. dat
wanneer een natuurwetenschappelijke bewering is bewezen de Schrift
dienovereenkomstig dient te worden geïnterpreteerd) meldt
Bellarmino dat indien en wanneer de copernicaanse hypothese bewezen
wordt, de Kerk de bijbelpassages waarin dat wordt tegengesproken zal
herinterpreteren, of op zijn minst zal zeggen dat men ze niet begrijpt.
Zover was het echter nog niet, en Bellarmino betwijfelde of het er ooit
van zou komen.
Het zwakke punt in Galilei's pleidooi was inderdaad dat hij geen
afdoende bewijs kon leveren voor de stelling dat de aarde draait om een
stilstaande zon. De fasen van Venus bewezen weliswaar dat deze planeet
om de zon draait, maar vormden geen bewijs dat de aarde eveneens om de
zon draait in plaats van andersom. De fasen van Venus waren ook te
verklaren met het geocentrische model van de Deense astronoom Tycho
Brahe (1546-1601), die meende dat de planeten draaiden om de zon,
terwijl de zon samen met deze planeten zou draaien om een stilstaande
aarde. Een afdoende bewijs voor de heliocentrische hypothese zou nog
meer dan tweehonderd jaar op zich laten wachten, want pas in 1838 werd
door Bessel de eerste stellaire parallaxnoot
2
gemeten. Nog eens veertien later, in 1851, werd met de beroemde
slingerproef van Foucault in het Parijse Panthéon
uiteindelijk
het bewijs voor de draaiing van de aarde geleverd.
IV
Het decreet van 1616
Al zijn inspanningen ten spijt, slaagde Galilei er niet in zijn
tegenstanders te overtuigen. Zijn meest verstokte vijanden, met name de
aristotelici, hadden systematisch getracht hem onderuit te halen en
daarmee de druk op de Kerk gaande gehouden. En om het tij te keren,
achtte Galilei het noodzakelijk nogmaals naar Rome te gaan om zijn zaak
persoonlijk bij de hoogste kerkelijke autoriteiten te bepleiten.
Vanwege zijn slechte gezondheid was hij gedwongen de reis steeds maar
uit te stellen en kwam hij pas in december 1615, acht maanden na
Bellarmino's antwoord aan Foscarini, in Rome aan.
In eerste instantie leek alles goed te gaan: Galilei werd hartelijk
ontvangen door de pauselijke curie en het Collegio Romano en kreeg de
gelegenheid zijn theorie ten overstaan van een deskundig gehoor uiteen
te zetten. Men was onder de indruk van zijn beheersing van de
wetenschap en zijn briljante retoriek. Er is echter weinig
verbeeldingskracht voor nodig om te begrijpen dat zijn tegenstanders,
wier wetenschappelijke argumenten volledig belachelijk werden gemaakt,
minder ingenomen waren met zijn optreden en zijn sarcasme. Met
hernieuwde energie zetten zij dan ook hun lastercampagne tegen Galilei
voort, en uiteindelijk oordeelden conservatieve kerkleiders dat alle
ophef rond het bezoek van Galilei aan Rome, gevoegd bij initiatieven
als die van Foscarini, zoveel verwarring teweeg hadden gebracht dat de
Kerk er niet meer onderuit kon met betrekking tot de controverse een
duidelijke positie in te nemen. Op 24 februari 1616 besloot het Heilig
Officie (d.i. de Inquisitie) het hoofdwerk van Copernicus, De revolutionibus orbium
caelestium
('Over de omwentelingen van de hemelse sferen') te verbieden totdat het
gecorrigeerd was, omdat het in filosofisch en wetenschappelijk opzicht
dwaas en absurd zou zijn, en formeel ketters op de punten waar het
expliciet in tegenspraak was met wat de Heilige Schrift onderwees. De
relevante passage in het officiële decreet van 5 maart 1616
luidt:
Het
is onder
de aandacht gekomen van deze Heilige Congregatie dat de valse
pythagorische leer [...], die compleet tegengesteld is aan de
goddelijke Geschriften, nu verspreid en door velen geaccepteerd wordt.
[...] Opdat deze opinie zich niet verder verspreidt en aldus de
katholieke waarheid in gevaar brengt, gebieden wij dat De
revolutionibus orbium caelestium van Nicolaus Copernicus [...] verboden
wordt totdat het gecorrigeerd is. De brief van de eerwaarde pater
karmeliet Pater Paolo Antonio Foscarini wordt echter volledig verboden
en veroordeeld. Alle boeken waarin hetzelfde wordt onderwezen worden
eveneens verboden, in overeenstemming met dit decreet waarin de bewuste
boeken geheel verboden worden, dan wel verboden tot nader order of
veroordeeld.
Dat
de publicatie van Foscarini op de index werd
geplaatst, was een duidelijk signaal dat pogingen om de Bijbel te
verzoenen met de copernicaanse leer niet getolereerd zouden worden. Dat
daarentegen het hoofdwerk van Copernicus niet volledig verboden werd,
is te danken aan de matigende invloed van kardinaal Maffeo Barberini
(een bewonderaar van Galilei die in 1623 tot paus gekozen zou worden
en, zoals we nog zullen zien, in die hoedanigheid een belangrijke rol
zou spelen in de uiteindelijke veroordeling van Galilei), en daardoor
konden astronomen het copernicaanse model blijven gebruiken als een
gewettigd rekenmodel.
Het meest opvallend aan dit decreet is dat de naam van Galilei in het
geheel niet wordt genoemd. Het is mogelijk dat meer gematigde elementen
binnen de Kerk en de Inquisitie Galilei in bescherming hebben genomen
en ervoor hebben gezorgd dat het decreet niet specifiek tegen hem was
gericht, maar waarschijnlijker is dat de Kerk niet het risico heeft
willen nemen dat deze internationale beroemdheid als een martelaar voor
de wetenschap zou worden beschouwd. Niettemin was het van belang dat
Galilei goed doordrongen was van de boodschap, en daarom had de paus
kardinaal Bellarmino belast met de taak Galilei in een gesprek
persoonlijk over het decreet te informeren en hem te verzoeken
expliciet in te stemmen met de inhoud ervan. Zou Galilei dat weigeren,
dan moest Bellarmino hem alsnog een officieel verbod opleggen. Dit
gesprek vond plaats op 26 februari 1616, ruim een week voor de
officiële uitvaardiging van het decreet. Hoe dit gesprek
precies
verlopen is, is onduidelijk.
In een officieel verslag van het bewuste gesprek tussen Bellarmino en
Galilei staat vermeld dat het Heilig Officie Galilei een formeel verbod
had opgelegd. Veel historici zijn echter van mening dat het bewuste
verbod in werkelijkheid nooit aan Galilei is opgelegd, en dat de
bewuste vermelding door een van Galilei's vijanden te kwader trouw in
het dossier is ingevoegd. Dit strookt met de brief die Bellarmino
enkele maanden na het bewuste gesprek schreef in antwoord op het
verzoek van Galilei de uitkomst van het bewuste gesprek schriftelijk te
bevestigen. Bellarmino verklaart daarin Galilei slechts te hebben
geïnformeerd over het op handen zijnde decreet waarin de
copernicaanse leer veroordeeld werd, met 'als resultaat' dat deze niet
kon worden aangehangen of verdedigd. De wederzijdse onbekendheid met
deze documenten (Galilei kende het officiële verslag niet en
binnen het Heilig Officie was men niet op de hoogte van de brief van
Bellarmino) zou later, in de gang van zaken rond het proces in 1633,
voor Galilei grote gevolgen hebben, vooral omdat Bellarmino toen al was
overleden en de strekking van het bewuste gesprek en de authenticiteit
van zijn brief dus niet meer kon bevestigen.
Voor een antwoord op de vraag waarom Copernicus' heliocentrische
hypothese zeventig jaar na publicatie alsnog werd verboden, is het niet
voldoende te stellen dat de leiding van de Kerk indertijd gedomineerd
werd door vrome fanatici die a priori vijandig stonden tegenover de
nieuwe wetenschap, want zoals North in het nawoord schrijft, was er ook
oppositie tegen de copernicaanse hypothese van de zijde van competente
astronomen als de jezuïeten Clavius en Grienberger. En een
vooraanstaand theoloog als Bellarmino, die weliswaar geen wiskundige of
astronoom was maar wel goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen
op dat gebied, aarzelde niet om andere aristotelische concepten als de
kristallen sferen, de perfecte cirkelvorm van de planeetbanen en de
onveranderlijkheid van de ethersfeer af te wijzen. Anders lag dat voor
de geocentrische hypothese, die in de zeventiende eeuw nog op zijn
minst even plausibel was als de heliocentrische. Weliswaar kon het
heliocentrische model van Copernicus de verschijnselen beter verklaren
dan het traditionele ptolemeïsche model, maar dat gold
evenzeer
voor het geocentrische model van Tycho Brahe, dat bovendien verenigbaar
was met de meest recente astronomische waarnemingen, inclusief die van
Galilei. Daar kwam bij dat de astronomie in Galilei's tijd nog
beschouwd werd als een 'mindere' wetenschap. Het beeld van het
universum moest gebaseerd zijn op de 'natuurfilosofie', een discipline
die zich bezighield met de 'essentie van de dingen' en daarom ver
verheven was boven de astronomie. De astronomie werd als tak van de
wiskunde en de meetkunde wel onmisbaar geacht voor de voorspelling van
zonsverduisteringen of het opstellen van een kalender, maar van weinig
nut bij het bepalen van de feitelijke structuur van de hemelen. De
scheiding tussen deze twee disciplines betekende dat ruimdenkende
tegenstanders van Galilei weliswaar de validiteit van zijn
astronomische ontdekkingen erkenden, maar niet bereid waren op grond
daarvan het geocentrische systeem los te laten. Ook al gaven zij toe
dat Galilei's heliocentrische conclusies als mathematische 'hypotheses'
(in de betekenis van 'rekenmodel') beter dan andere modellen de
'verschijnselen konden redden', zij meenden niet dat deze verdienste
kon worden aangemerkt als een bewijs dat de aarde daadwerkelijk bewoog.
Verder dan het ptolemeïsch-aristotelische systeem in te ruilen
voor de variant van Tycho Brahe wilden zij niet gaan.
De belangrijkste reden voor de starre opstelling van de Kerk was de
verdedigende houding die onder de druk van de Reformatie prevaleerde,
en die de Kerk ertoe bracht vast te houden aan een compromisloze en
letterlijke exegese die ze in het verleden nooit had aangehouden. Men
vreesde dat de nieuwe astronomie twijfel zou zaaien ten aanzien van de
onfeilbaarheid van de Bijbel zoals die door de Kerk van oudsher werd
geïnterpreteerd, en dat een afwijking van de letterlijke
interpretatie voedsel zou geven aan de beschuldigingen van protestantse
zijde dat de katholieke Kerk een loopje nam met de heilige teksten. En
behalve deze extreme gevoeligheid voor kwesties die een
herinterpretatie van de Schrift in het algemeen betroffen, was ook de
vraag aan de orde wie bevoegd was tot schriftinterpretatie en wie niet.
Een persoonlijke interpretatie van de Schrift werd geassocieerd met de
protestantse opvatting dat de Heilige Geest ieder mens verlichtte die
oprecht op zoek was naar de waarheid die de Schrift voor hem bevatte,
en tegen deze uiterst gevaarlijke en verdachte zienswijze was ook het
reeds eerder aangehaalde decreet uit 1546 gericht geweest, volgens welk
iedereen zich aan de unanieme uitspraken van de kerkvaders diende te
houden.
V
Het proces van 1633
Gehoorzamend aan het decreet van 1616 publiceerde Galilei in de
daaropvolgende jaren over andere zaken, hoewel hij in stilte doorwerkte
aan een nieuw boek over het oude dispuut. En toen overleed op 8 juli
1623 onverwacht paus Gregorius XV. De nieuwe paus was niemand minder
dan kardinaal Maffeo Barberini, de man die in 1616 Galilei goed gezind
was geweest en die ook nadien vriendschappelijke contacten met hem had
onderhouden. Deze Barberini, die als paus de naam Urbanus VIII aannam,
stond bekend als een intelligent en ontwikkeld man, en net als Galilei
was hij lid van de Accademia dei Lincei. Men kan zich voorstellen hoe
hoopvol dit nieuws Galilei gestemd moet hebben. Het is dan ook niet zo
vreemd dat Galilei op het idee kwam opnieuw naar Rome af te reizen om
de nieuwe Pontifex eer te bewijzen, maar vooral om te peilen of het
mogelijk was de Kerk te bewegen haar standpunt inzake de copernicaanse
leer bij te stellen. De reis, die Galilei eerst al vanwege zijn slechte
gezondheid had moeten uitstellen tot april 1624, verliep enigszins
teleurstellend, vooral omdat de paus zich tijdens de gesprekken die
Galilei met hem had zeer sceptisch had betoond over de mogelijkheid dat
de menselijke wetenschappen ooit alle geheimen van het universum zouden
kunnen blootleggen. Niettemin meende Galilei dat hij van deze
bewonderaar en hoogste kerkelijke autoriteit de stilzwijgende
toestemming had gekregen voor een gedetailleerde uitwerking van al het
bewijsmateriaal en alle argumenten pro en contra het traditionele
geocentrische systeem en het nieuwe heliocentrische, mits hij over dit
laatste slechts in strikt hypothetische zin zou spreken. Hij dacht in
ieder geval te kunnen aantonen dat de copernicaanse leer als hypothese
veruit superieur was aan andere hypotheses, en hoopte spoedig 'een boek
over het systeem van de wereld' te kunnen publiceren. Het werk nam
echter meer tijd in beslag dan hij had voorzien. En toen het manuscript
eenmaal
gereed was, nam de Inquisitie ruim de tijd eer zij er haar goedkeuring
aan gaf, terwijl vervolgens ook het drukproces niet erg vlot verliep.
Door al dit oponthoud verscheen De
Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo
('Dialoog over de twee belangrijkste wereldsystemen') uiteindelijk pas
in 1632, negen jaar nadat Barberini tot paus gekozen was.
De Dialogo
werd enthousiast
ontvangen door Galilei's vrienden en bewonderaars, maar onder zijn
tegenstanders brak een storm van protest los en het boek was aanleiding
voor een nieuwe campagne tegen Galilei. Ongelukkigerwijs bevond de paus
zich in die periode in een bijzonder netelige positie, want behalve dat
hem nepotisme werd verweten, werd hij er ook van beschuldigd in de
dertigjarige oorlog de katholieke zaak te hebben verraden. Al deze
verwijten hadden hem bijzonder achterdochtig gemaakt, en toen bleek dat
Galilei van alle argumenten die hij als paus tijdens hun gesprekken in
1624 had genoemd er slechts één had opgenomen in
de Dialogo,
en dat dit ene argument bovendien in de mond was gelegd van Simplicius
(wiens argumenten stuk voor stuk door de scherpzinnige en spottende
tegenwerpingen van zijn gesprekspartner Salviati werden ontkracht,
zodat Simplicius werd neergezet als een dwaas die blindelings vasthoudt
aan een achterhaalde wetenschap), voelde Urbanus zich door Galilei
misleid en bedrogen. Van de pauselijke welwillendheid jegens Galilei
was weinig meer over, en voorbijgaand aan het feit dat het werk door de
Inquisitie was goedgekeurd, beval hij dat de gehele oplage van de Dialogo in beslag
genomen moest worden.
De gewijzigde opstelling van de paus speelde uiteraard Galilei's
tegenstanders in de kaart, terwijl anderzijds de pogingen van Galilei's
vrienden om de paus tot een mildere opstelling te bewegen alleen maar
olie op het vuur gooiden. Uit de archieven van het Heilig Officie was
ondertussen het verslag opgediept van het gesprek zoals dat in 1616 zou
hebben plaatsgevonden tussen Bellarmino en Galilei (en waarvan men dus
tegenwoordig aanneemt dat het een vervalsing is). Op grond van dit
document kon Galilei ervan worden beschuldigd met de Dialogo
het verbod te hebben overtreden volgens welk hij 'op geen enkele
manier, mondeling noch schriftelijk', de copernicaanse leer mocht
bepleiten. In het voorjaar van 1633 werd hij dan ook officieel in staat
van beschuldiging gesteld en vond het toen onvermijdelijk geworden
proces plaats.
Opvallend is dat in de procesgang de copernicaanse leer als zodanig
niet besproken wordt: er worden geen natuurwetenschappelijke argumenten
voor of tegen genoemd, geen schriftpassages aangevoerd om het tegendeel
te bewijzen, er wordt geen discussie gevoerd over de principes van
bijbelexegese, noch over de status van natuurwetenschappelijke
bewijzen. Over alle zaken die gerelateerd zijn aan de vraag naar de
werkelijke constitutie van de hemelen was voor zover het de Kerk betrof
reeds in 1616 uitspraak gedaan. Bij het proces in 1633 ging het dus
niet om de vraag of de Bijbel dan wel de wetenschap in
natuurwetenschappelijke aangelegenheden uitsluitsel kon geven, noch om
de vraag of de heliocentrische hypothese superieur was aan de
geocentrische, maar om Galilei's loyaliteit aan de Kerk en zijn
gehoorzaamheid aan de verordeningen die waren neergelegd in het decreet
van 1616.
Om zijn onschuld aan te tonen, beriep Galilei zich op de brief die
Bellarmino hem in 1616 op zijn verzoek had geschreven. Maar omdat
Bellarmino, zoals we hierboven schreven, dit niet meer kon bevestigen,
baseerde het Heilig Officie zijn oordeel op het 'officiële'
verslag van het gesprek dat met de inhoud van de bewuste brief in
tegenspraak was. Het onvermijdelijke oordeel van de Inquisitie tegen
Galileo luidde als volgt:
Wij
zeggen,
spreken uit, vonnissen en verklaren dat u, de bovengenoemde Galileo,
vanwege de in het proces aangevoerde en hierboven door u bekende zaken
volgens dit Heilig Officie de verdenking op u heeft geladen van
ernstige ketterij, omdat u een doctrine die vals is en tegengesteld aan
de goddelijke en Heilige Schrift hebt geloofd en voor waar gehouden.
Galilei heeft zijn overtuiging in het openbaar moeten herroepen en werd
bovendien veroordeeld tot levenslang huisarrest in zijn huis in Arcetri
bij Florence. Daar wijdde hij de rest van zijn leven aan andere
publicaties. Aangezien de censuur van de Inquisitie het erg omslachtig
maakte om in zijn eigen land te publiceren, zocht hij naar
mogelijkheden om zijn werk elders uit te brengen. In juli werd een
begin gemaakt met de voorbereiding voor een publicatie van de Discorsi e dimostrazioni
matematiche intorno a due nuove scienze attenenti alla mecanica
& i movimenti locali
('Bespreking en wiskundige bewijzen inzake twee nieuwe ontdekkingen in
de mechanica en de plaatselijke bewegingen'). Het werk werd eerst in
een Latijnse vertaling gedrukt door Matthias Bernegger in Straatsburg,
maar in mei 1636 bracht de Nederlandse uitgever Lowijs Elzevier een
bezoek aan Arcetri om daar met Galilei de publicatie in het Italiaans
te bespreken. (De persvrijheid in de jonge Republiek der Verenigde
Nederlanden was in principe onbeperkt, en er konden boeken gedrukt
worden die elders in Europa onder de censuur vielen.) Deze Leidse
editie kwam uit in 1638. Galilei was inmiddels blind geworden, maar
werkte niettemin door aan een publicatie over mechanica en berekeningen
voor het bepalen van de geografische breedte op zee, die eveneens
gedrukt werd door Elzevier in Leiden. De Staten-Generaal der Verenigde
Nederlanden wilde de beroemde wiskundige en astronoom onderscheiden met
de 'gouden ketting', maar de Inquisitie stond hem niet toe dit
eerbewijs uit protestantse handen te accepteren. Ondertussen had zijn
vroegere leerling Castelli wel gedaan weten te krijgen dat hij de
bejaarde Galilei aan het eind van zijn leven zo nu en dan mocht
opzoeken in zijn ballingsoord, en Galilei zelf kreeg permissie om onder
strikte voorwaarden zijn huis in Arcetri af en toe te verlaten en een
bezoek te brengen aan het nabij gelegen Florence. Hij overleed op 8
januari 1642, bijna 78 jaar oud.
Noten bij de Inleiding
1
In Galilei's tijd
werd er ten onrechte van uitgegaan dat de pythagoreeërs de
klassieke voorlopers waren van Copernicus. De pythagoreeërs
meenden weliswaar dat alle hemellichamen draaiden om een centraal vuur,
maar dat (onzichtbare) vuur was niet de zon. ▲
terug naar tekst
2
De jaarlijkse
stellaire parallax is de schijnbare verplaatsing van een hemellichaam
wanneer de waarnemer zich na een interval van zes maanden als gevolg
van de beweging van de aarde op een andere plaats in het heelal
bevindt. Ook in Galilei's tijd was bekend dat een stellaire parallax
een bewijs vormde voor een bewegende aarde, maar indertijd waren de
meetinstrumenten nog niet precies genoeg om het uiterst kleine
verschilzicht te kunnen meten. ▲
terug naar tekst
Direct door
naar de eerste brief uit
de bundel
▲ naar
boven
|
|
|
|