|
|


|
Giorgio Agamben, Fabel en
geschiedenis. Beschouwingen over de kerststal
De Nederlanse vertaling van dit Italiaanse Essay werd gepubliceerd in
Feit & Fictie, V/3 winter 2001/2002.
Over dit artikel
In
dit essay bespreekt de bekende Italiaanse filosoof Agamben aan de
hand van de Italiaanse kerststallen (zoals die sinds de Barok vooral in
Napels worden gemaakt) de overgang van mythe, via de fabel, naar
geschiedenis. In de mythe waren goden en het
noodlot bepalend, en de fabel schiep met zijn sprekende dieren
de
mogelijkheid voor de overgang naar de geschiedenis waaraan de mens zelf
vorm kan geven.
De
lastige tweede alinea van de tekst legt een drempel die de lezer
eerst moet nemen, want voordat de auteur iets kan zeggen over de
transformatie van mythe tot geschiedenis, moet hij de eerdere
overgang beschrijven waarin de mythe zich bevrijdt van de
mysteriën en deze omzet in betovering. Omdat de mythe met die
betovering nog steeds niet is losgekomen van de stilte van de
mysteriën, moet deze 'stomme fabel' dus het woord zien te
vinden.
En aangezien in de fabel met zijn betoveringen de mens dat nog niet
kan, neemt in eerste instantie de natuur bij monde van sprekende dieren
het woord. In de fabel spreekt dus wat niet kan spreken (de natuur) en
zwijgt wat wel kan spreken (de mens): natuur en mens (geschiedenis)
verwisselen van plaats. Maar telkens wanneer aldus de natuur het woord
neemt, wordt paradoxaal genoeg de historiciteit, dat wil zeggen de
mogelijkheid tot verandering die inherent is aan elke overgang,
blootgelegd, en dat is de reden dat Agamben zegt dat de fabel zijn
eigen onttovering voorspelt. Het is dus de fabel die de overgang van
mythe naar geschiedenis mogelijk maakt, en deze voorspelling is niets
minder dan een messiaanse belofte, namelijk de belofte van de terugkeer
van God als mens
op aarde. (Met dank aan Hans Vandevoorde, die de
inleiding bij de Nederlandse vertaling van dit essay verzorgde.)
Om iets te
begrijpen van de kerststal moeten we in de eerste plaats
beseffen dat dit miniatuurwereldbeeld een historisch beeld laat zien.
De kerststal toont ons namelijk precies het moment dat de fabelwereld
uit de betovering ontwaakt en de geschiedenis binnentreedt. In de
antieke inwijdingsriten stond de mystieke ervaring centraal, en de
enige manier waarop de fabel zich van alle mystiek kon losmaken was
door deze riten af te schaffen en te transformeren tot betovering. Ook
in de fabel zijn de schepselen onderworpen aan de beproevingen van
inwijdingsceremonieën en de stilte van de Mysteriën,
maar ze
ervaren die niet als zodanig. Met andere woorden: ze ondergaan de
beproeving als ware het een betovering. Beheksing, en niet het deelheb
ben aan geheime kennis, ontneemt het fabelwezen zijn spraak. Deze
beheksing is weliswaar een onttovering van het mysterie, maar moet net
zo goed worden verbroken en overwonnen. Dat wat tot fabula mutanoot
1 (het
compacte oxymoron waarmee een personage uit Petronius' Satyricon de
stomheid van de religies van de late Oudheid typeert) is gemaakt, moet
het spraakvermogen hervinden, en daarom wordt in de fabel de betoverde
mens met stomheid geslagen, terwijl de betoverde
natuur
daarin juist het woord neemt. Met deze verwisseling van spraak en
stilte, van geschiedenis en natuur, profeteert de fabel dus zijn eigen
onttovering in de geschiedenis.
De
kerststal betrapt de fabelwereld op het Messiaanse ogenblik van die
overgang naar geschiedenis. Vandaar dat de dieren, die in de fabel de
pure en stomme
taal van de natuur hadden ingeruild voor spraak, nu stom zijn. Volgens
een oude legende verkrijgen de dieren in de kerstnacht voor korte tijd
het spraakvermogen: in deze legende verschijnen de betoverde
fabeldieren voor het laatst, alvorens voorgoed terug te keren tot de
staat waarin zij slechts beschikken over de stomme taal van de natuur.
De intrede van de os en de ezel in de iconografie van de
kerstvoorstelling hebben we te danken aan het kerstverhaal in de
apocriefe pseudo Mattheus, waarin verteld wordt dat de os en de ezel
het kind aanba den en aldus de voorspelling van Jesaja 1:3 ('de os kent
zijn meester en de ezel de kribbe van de Heer') in vervulling lieten
gaan. In een van de vroegste beschrijvingen van het kersttafereel
stelt de heilige Ambrosius het 'sprekende' geween van het goddelijk
kind tegenover het stille loeien van de os die zijn Heer herkent.
Objecten die onder de betovering waren bezield en vreemd gemaakt, zijn
nu teruggekeerd tot de onschuld van het anorganische en staan naast de
mens als volgzame werktuigen en vertrouwde huisraad. De sprekende
hanen, mieren en vogels, de gans met de gouden eieren, de ezel die geld
poept, de tafel die zichzelf dekt en de stok die slaat op bevel: dit
alles moet door de kerststal uit zijn betovering worden bevrijd. Als
voedsel, koopwaar of gereedschap – oftewel in hun nederige staat van
handelswaar – zien we natuur en anorganische objecten gebundeld in
marktkraampjes, uitgestald op tafels in herbergen (de herberg, in
fabels altijd een onzalig oord, staat hier voor warmte en geborgenheid)
of hangend aan de zoldering van de provi siekamers.
Ook
de mens, die door de betovering van de fabel was ontdaan van zijn
economische functie, geeft zich daar nu weer aan over met een
exemplarisch gebaar: het beslissende gebaar dat de menselijke wereld
van de kerststal scheidt van die van de fabel. Terwijl de fabel een en
al dubbelzinnige wet en magie is die veroordeelt of vergeeft, verbiedt
of gedoogt, betovert of onttovert, of die met duistere en ongrijpbaar
strenge astrologische decanaten en figuren de keten bekrachtigt van het
noodlot dat alle schepselen aan zich bindt, is in de kerststal de mens
weer teruggegeven aan de eenduidigheid en transparantie van zijn
historische gebaar. Kleermakers en houthakkers, herders en boeren,
groentemannen en slagers, jagers en herbergiers, verkopers van
geroosterde kastanjes en water: heel het profane universum van de markt
en de straat doet zijn intrede in de geschiedenis in een gebaar dat
afkomstig is uit de prehistorische diepten van de wereld die Bachofen
omschreef als 'etherisch', en die in de verhalen van Kafka een korte
opleving beleefde. Je zou kunnen zeggen dat de miasmatische droomwereld
van de fabel het medium is tussen de Mysteriën van de
hiërofanten en het historische gebaar van de kerststal.
Want
het gebaar van het kind in de Messiaanse nacht is vrij van zware
magisch-bezwerende profetieën, en simpelweg menselijk en
profaan
geworden. Er is niet langer sprake van een teken of wonder in
divinatorische zin, want aangezien alle voortekenen nu in vervulling
zijn gegaan, is de mens bevrijd van tekenen. Daarom staan de Sybillen
in de kerststal van de gebroeders Giovanni en Pietro Alamanno in de San
Giovanni in Carbonara stom voor de kribbe, en verschijnen in de
Napolitaanse kerststal de térata en de monstra van de
klassieke
haruspiciumnoot 2
als mismaakte gedrochten (denk bijvoorbeeld aan de
kreupele figuren die een anonieme achttiende eeuwse kunstenaar maakte
voor de kerststal in het museum van San Martino of aan Giacomo
Colombo's kroplijdende vrouw) die niet langer enige toekomstige
gebeurtenis aankondigen, maar de profane onschuld van het kind
onderstrepen. Vandaar dat hier, in tegenstelling tot de mysterische
statigheid van de vroege kersttaferelen, de figuren zo realistisch
gevangen worden in hun alledaagse gebaar; vandaar dat in een tafereel
dat de aanbidding van een god zou moeten zijn de iconografische
conventie van de aanbidder, zo karakteristiek voor taferelen van
heidense en vroeg Christelijke culten, hier vroegtijdig ontbreekt.
Alleen de vertegenwoordigers van de werelden van magie en wet, de drie
'Re Magi' (koningen magiërs, zoals ze in het Italiaans worden
aangeduid), worden afgebeeld in een act van aanbidding (althans in het
begin, voordat ook zij opgaan in de naamloze menigte). In de rest van
het tafereel in en rond de kerststal zijn alle sporen van ritueel
opgelost in de economische onschuld van het dagelijks leven. Zelfs het
voedsel dat de herders aanbieden is niet bedoeld om te worden geofferd;
het is een seculier gebaar, en geen ritueel piaculumnoot 3.
De slapende
man die vreemd genoeg altijd in de buurt van de kribbe te vinden is,
zou je kunnen zien als een figuur uit de fabelwereld die zich niet
heeft weten wakker te schudden op het moment van de verlossing en als
gevolg daarvan tussen de kinderen zijn schemerleven voortzet, maar
zelfs hij slaapt niet de incubationoot 4
met zijn beklemmende beelden en
voorspellingen, noch de betoverde tijdloze slaap van Doornroosje, maar
de profane slaap van een gewoon mens. Net als in het apocriefe
evangelie van Jacob ('Ik Jozef liep en kwam niet vooruit... en zij die
kauwden, kauw den niet... Zij dreven de schapen en die stonden stil...
de herder hief zijn hand op om ze met zijn staf te slaan, en zijn hand
bleef hangen in de lucht') stond de tijd stil, niet in de eeuwigheid
van mythe of fabel, maar in het Messiaanse interval tussen twee
momenten: de tijd van de geschiedenis ('En ik zag hoe alle dingen leken
te hangen, en vervolgens plotseling hun loop hernamen'). En met de
eerste 'levensechte' kerststallen uit het begin van de zeventiende eeuw
is dankzij de sterke allegoriek van de Barok in de ritmische
herhaling van de pas van de herder of de beweging van de grazende
schapen deze historische 'loop zonder lopen' aanschouwelijk gemaakt.
De
sleutel tot deze profane bevrijding uit de betovering is
miniaturisatie. Het 'veiligstellen van het kleine' (iets dat
van
alle tijden is, zoals blijkt uit de liefde voor poppen, marionetten en
voor de bibelots die in het achttiende eeuwse Europa petites besognes
d'Italie werden genoemd) is zonder twijfel een categorische eigenschap
van de Italiaanse culturele fysionomie en als zodanig reeds in de late
Oudheid aanwijsbaar - bijna als een contrapunt waarop
de
verstarde wereld van het monumentale haar hoop op historisch ontwaken
heeft gesteld. Diezelfde elementen die Rieglnoot
5
terecht identificeert
in miniaturen, mozaïeken en laat Romeinse ivoren - namelijk de
axiale isolatie van de figuren, de emancipatie van de ruimte en het
'magische' verband tussen alle dingen - worden precies zo aangetroffen
in de kerststal. Het is alsof de 'miniaturist', de 'colorist' en de
'illusionist' (zoals kunsthistorici de drie onbekende makers hebben
gedoopt van de indrukwekkende Weense Genesis6
met zijn starre
figuurtjes in hun stomme astrologische fabelgedaante) op
wonderbaarlijke wijze de handen hebben geleid van Francesco Celebrano,
Nicola Ingaldi, Giacomo Sanmartino, Lorenzo Mosca, Francesco Gallo,
Tommaso Schettino en van alle andere kunstenaars die tot op de dag van
vandaag in de enkele overgebleven Napolitaanse ateliers hun ambacht
uitoefenen. De magische link tussen de figuren is echter volledig
opgelost in een historische link: iedere figuur in de kerststal staat
op zich en is niet met andere figuren verenigd door wat voor plastische
of ruimtelijke band dan ook, maar gewoon tijdelijk ernaast gezet.
Niettemin zijn alle figuren uitzondering opgenomen in een en dezelfde
structuur, omdat zij allemaal deelhebben aan de Messiaanse gebeurtenis
van de verlossing. Zelfs kerststallen als de Cuccitiello in het museum
van San Martino, waarin meer dan in andere kerststallen is gestreefd
naar een mooie compositie, zijn een allegaartje (omdat een kerststal nu
eenmaal tot in het oneindige moet kunnen worden uitgebreid) en
tegelijkertijd een absolute eenheid - geen ruimtelijke of
materiële eenheid, maar een historische eenheid.
In
de symboliek van de kerststal staat geen mythische gebeurtenis
centraal, en nog minder een gebeurtenis in ruimte en tijd (oftewel een
chronologische gebeurtenis). Het is een kairologischenoot 7
gebeurtenis:
in zijn essentie is de kerststal een representatie van de historiciteit
die zich middels de Messiaanse geboorte in de wereld voltrekt. En zo,
in de overdadige en eindeloze uitbreiding van figuren en
scènes
die het oorspronkelijk gewijde karakter van het tafereel aan het oog
onttrekt en bijna doet vergeten, valt alle onderscheid tussen het
gewijde en het profane weg en vallen de twee sferen samen. Tegenover de
monumentaliteit van een wereld die onherroepelijk is vastgelopen en
bevroren in de onbuigzame wetten van de heimarménenoot 8
- die
overigens niet zoveel verschillen van de wetten die onze eigen tijd met
onbekommerde verschrikking naar de 'vooruitgang' drijven - stelt de
kerststal de frutsels van een geschiedenis in een soort statu nascendi,
als een los geheel van snippers en spaanders, die echter stuk voor stuk
onmiddellijk en historisch compleet zijn.
Om
die reden lijkt juist nu de kerststal op het punt te staan uit de
traditie te verdwijnenen zelfs kinderen niet meer aan te spreken,
terwijl die - als eeuwige hoeders van alles wat waard is behouden te
blijven - behalve het spel en de fabel ook de kerststal tot in onze
dagen in ere hebben gehouden. En de onhandige scheppin gen
van de
laatste Napolitaanse artiesten lijken een boodschap te stamelen die
bedoeld is voor ons, burgers aan het andere uiteinde van dit uitgeputte
tijdperk van de geschiedenis. Het meest treffende element in het werk
van de anonieme opvolgers van de zeventiende eeuwse kunstenaars in
Spaccanapoli is namelijk de grote discrepantie tussen de manier waarop
de mensen zijn uitgebeeld - met lusteloze en onnauwkeurige
gebaren en met gelaatstrekken die als in een droom zijn
vervaagd - en de toewijding en nauwkeurigheid waarmee de
tomaten, aubergines, kolen, pompoenen, wortelen, zeebarbelen, kreeften,
inktvissen, mosselen en citroenen zijn vervaardigd die in uitbundige
paarse, rode en geïriseerde kleuren in de marktkramen tussen
mandjes, weegschalen, messen en aardewerken potten zijn uitgestald.
Moeten wij in deze discrepantie een teken zien dat de natuur op het
punt staat opnieuw de fabel binnen te treden; dat zij opnieuw de
geschiedenis om een stem vraagt, terwijl de mens, behekst door een
geschiedenis die de dreigende trekken van het noodlot heeft aangenomen,
opnieuw door een betovering met stomheid geslagen wordt? Totdat op een
nacht, wanneer in het halfduister een nieuwe kerststal nog onbekende
figuren en kleuren zal belichten, de fabel weer ontwaakt in de
geschiedenis, de natuur zich weer hult in haar stille taal, de mens
opnieuw uit het mysterie treedt en met zijn onverzegelde lippen weer
spreken kan.
1.
Letterlijk 'stomme spraak'. Aangezien 'fabula' behalve spraak ook
'fabel' en 'praatje' betekent, is in het Latijnse
oxymoron het contrast groter dan in de Nederlandse vertaling. ▲terug
naar tekst
2.
Het afleiden van de wil van de goden
uit de ingewanden, en met name de lever, van geofferde
dieren. ▲terug
naar tekst
3.
Zoenoffer ▲terug
naar tekst
4.
'Tempelslaap': het slapen
in een tempel
met de bedoeling daar in een droomorakel een goddelijke openbaring te
krijgen. ▲terug
naar tekst
5.
De Oostenrijkse museumconservator en
hoogleraar aan de universiteit van Wenen Alois Riegl
(1858-1905) onderkende als een van de eersten dat de laat-
Romeinse decoratieve kunsten hun stempel hebben gedrukt op de
perceptie en organisatie van tijd en ruimte in de kunst. ▲terug
naar tekst
6.
Eén van de oudste bewaard
gebleven Griekse purperhandschriften verlucht met bijbelse taferelen,
vermoedelijk in de zesde eeuw vervaardigd in Antiochië.
Karakteristiek voor deze miniaturen is dat twee of meer episodes
simultaan worden afgebeeld. ▲terug
naar tekst
7.
Gebeurend op het meest gunstige
moment, dat wil
zeggen het moment dat een bepaalde daad of handeling een
maximale
uitwerking heeft.▲terug
naar tekst
8. 'Wat
ieder is toebedeeld', oftewel het blinde Noodloot.▲terug
naar tekst
▲ naar
boven
|
|
|
|