

|
Orlando
Figes, Natasja’s
dans. Een culturele geschiedenis van
Rusland. Utrecht, Het Spectrum, 2003.
In
Natasja’s dans onderzoekt Figes het unieke karakter van
de Russische identiteit en cultuur. De titel is ontleend aan een
tafereel uit
Tolstoi’s Oorlog en vrede, waarin de jonge aristocrate
Natasja er blijk van
geeft dat ook zij als aristocrate in dieptse wezen verwant is met de
volkscultuur. In onderstaande passage laat Figes aan de hand van
Kandinsky en diens werk zienhoe de Russische cultuur geworteld is in
het Aziatische verleden.
Uit hoofdstuk 6 Afstammelingen
van Djenghis Khan
Voordat Kandinsky
zich aan de schilderkunst ging wijden, wilde
hij antropoloog worden, en toen hij in 1989 als student aan de
Universiteit van
Moskou in zijn laatste studiejaar van een ziekte moest herstellen,
besloot hij een
reis te ondernemen naar de afgelegen Komi-streek, 800 kilometer ten
noordoosten
van Moskou, om daar het geloof van de Fins-Oegrische stammen te
bestuderen. Hij
reisde per trein naar Vologda, waar het spoor ophield, en vandaar
zeilde hij
oostwaarts over de rivier de Sukhona ‘een andere wereld
binnen’ waar, zoals hij
zich herinnerde, de mensen nog in geesten en demonen geloofden.
Antropologen
vóór hem hadden al geconstateerd dat in het
Komi-gebied het christendom en het
oude sjamaanse heidendom van de Aziatische stammen versmolten waren.
Het was
een ‘magisch land’, waar ‘de mensen
iedere handeling vergezeld lieten gaan van
geheime rituelen’. De reis maakte een onuitwisbare indruk op
Kandinsky, en het
sjamanisme dat hij daar ontdekte werd een van de belangrijkste
inspiratiebronnen voor zijn abstracte kunst. ‘Hier leerde ik
naar kunst te
kijken’, zou hij later schrijven, ‘ik leerde hoe je
jezelf in een schilderij
kunt bewegen en hoe je erin kunt leven’.
Kandinsky’s
reis naar het Oosten was tevens een reis terug
in de tijd. Hij was op zoek naar de overblijfselen van het heidendom
dat
Russische missionarissen in die streek vanaf de Middeleeuwen hadden
beschreven.
Er bestonden oude verslagen van Komi-mensen die de zon, de rivier en de
bomen
aanbaden, van woeste wervelende dansen waarmee zij de geesten opriepen,
en er
deden legendarische verhalen de ronde over Komi-sjamanen die hun
trommels
bespeelden en op hun paardenstok naar de geesteswereld vlogen.
Zeshonderd jaar
kerkopbouw had niet meer dan een dunne vernislaag van christendom
gelegd over
deze Euraziatische cultuur. Het Komi-volk was in de veertiende eeuw
door de
Heilige Stefanus onder dwang bekeerd tot het christelijk geloof. In het
gebied
hadden zich door de eeuwen heen Russische kolonisten gevestigd, en de
cultuur
van de Komi – van hun taal tot hun kleding – leek
inmiddels veel op de
Russische manier van leven.
Kandinsky bracht
drie zomermaanden door in Ust-Sysolsk, de
hoofdstad van het gebied en zo op het eerste gezicht een stad als elke
andere
Russische stad. Het bestond uit een klein classicistisch ensemble van
regeringsgebouwen temidden van een uitwaaierende nederzetting van
boerenblokhutten. Kandinsky verrichtte zijn veldwerk, en terwijl hij de
geloofsovertuigingen
van de oude mensen vastlegde en in hun volkskunst zocht naar motieven
van
sjamanistische riten, ontdekte hij onder de Russische cultuur al
spoedig de
sporen van deze oude heidense cultuur. Geen van de Komi wilde zichzelf
beschrijven als iets anders dan orthodox (althans niet tegenover iemand
uit
Moskou), en de voorganger in hun openbare rituelen was een christelijke
priester. Maar in hun persoonlijk leven wendden zij zich nog steeds tot
de oude
sjamanen, zoals Kandinsky vaststelde. De Komi geloofden in een
bosmonster met
de naam Vörsa. Iedereen bezat een ‘levende
ziel’ die ort werd genoemd en die de
mensen hun hele leven schaduwde en op het moment van hun overlijden aan
hen
verscheen. Ze baden tot de geesten van het water en de wind, ze spraken
tegen
het vuur alsof ze het tegen een levend wezen hadden, en hun volkskunst
vertoonde nog steeds tekenen van zonaanbidding. Sommige Komi vertelden
Kandinsky dat de sterren waren vastgeklonken aan de hemelkoepel.
Het gekrab aan de
oppervlakte van het Komi-leven had de
Aziatische oorsprong aan het licht gebracht. Eeuwenlang hadden de
Fins-Oegrische
stammen zich vermengd met de Turkse volkeren van Noord-Azië en
de
Centraal-Aziatische steppe. Negentiende-eeuwse archeologen hadden in
het
Komi-gebied grote hoeveelheden keramiek opgegraven met Mongoolse
versieringen.
Kandinsky vond een kapel met een Mongools dak, waarvan hij in zijn
reisverslag
een schets had opgenomen. Negentiende-eeuwse filologen onderschreven de
theorie
van een Oeral-Altai taalfamilie die de Finnen verenigde met de
Ostiaken, de
Voguls, Samoyeds en Mongolen in een enkele cultuur die zich uitstrekte
van
Finland tot Mantsjoerije. Het idee werd in de jaren 1850 naar voren
gebracht
door de Finse onderzoeker Matthias Castren, die op zijn reizen naar het
oosten
van de Oeral op veel zaken was gestuit die hij herkende van thuis.
Castrens
observaties werden door later onderzoek bevestigd. Er zijn bijvoorbeeld
sjamanistische motieven te vinden in de Kalevala of ‘Land der
helden’, het
nationale epos van Finland, dat wellicht wijst op een historische
connectie met
de volkeren van het oosten, hoewel de Finnen zelf hun gedicht
beschouwen als
een Baltische Odyssee in de zuiverste volkstraditie van Kerelia, de
streek waar
Finland en Rusland samenkomen. Als een sjamaan op paardenstok en met
trommel
reist de held Väinämöinen met zijn kantele
(een soort citer) naar een magische,
door de geesten van de doden bewoonde onderwereld. Een vijfde van de
Kalevala
bestaat uit magische formules. Het werd gewoonlijk gezongen in de
pentatonische
(Indo-Chinese) toonladder die overeenkomt met de vijf snaren van de
kantele,
die net als zijn voorganger, de vijfsnarige Russische gusliar, in die
toonladder was gestemd.
Kandinsky’s
verkenning van het Komi-gebied was meer dan een
wetenschappelijke exploratie, want hij had er ook een persoonlijke
reden voor.
De naam Kandinsky was afgeleid van naam de rivier de Konda in de buurt
van
Tobolsk in Siberië, waar zijn voorouders zich in de achttiende
eeuw had
gevestigd. De familie was voortgekomen uit de Tungus-stam, die langs de
rivier
de Amur in Mongolië woonde. Kandinsky was trots op zijn
Mongoolse uiterlijk en
hij schepte er graag over op dat hij een afstammeling was van het
zeventiende-eeuwse Tungus stamhoofd Gantimur. In de achttiende eeuw
waren de
Tungus naar het noordwesten getrokken, waar zij zich hadden gevestigd
in het
stroomgebied van de Ob en de Konda. Zij vermengden zich daar met de
Ostiaks en
de Voguls, die handel dreven met Komi en met andere Finse volkeren in
het
westen van de Oeral. Deze handelaars, die waarschijnlijk ook onderlinge
huwelijken sloten met de Komi, waren de voorvaders van Kandinsky, en
het is dus
mogelijk dat Kandinsky ook Komi-bloed had.
Veel Russische
families waren van Mongoolse afkomst. ‘Krab
een Rus en je zult een Tataar aantreffen’, zo heeft Napoleon
ooit gezegd. De
wapenschilden van Russische families – waarop veelvuldig
motieven voorkwamen
als sabels, bogen, wassende manen en de achtpuntige ster –
getuigen van deze
Mongoolse erfenis. Er waren vier groepen van Mongoolse afstammelingen.
Ten
eerste waren dat de afstammelingen van de Turks sprekende nomaden die
in de
dertiende eeuw in het kielzog van de legers van Djenghis Khan het land
waren
binnengetrokken en zich in de zestiende eeuw, nadat de
‘Gouden Horde’ (de
Russische naam voor de Mongoolse vijand met zijn schitterende
tentenkamp aan de
Wolga) uiteengevallen was, in Rusland hadden gevestigd. Binnen deze
groep worden
enkele van de meest roemrijke namen uit de Russische geschiedenis
aangetroffen:
schrijvers als Karamzin, Turgenev, Bulgakov en Achmatova, filosofen als
Chaadaev, Kireevsky, Berdiaev; staatslieden als Godunov, Bukharin,
Tughachevsky; en componisten als Rimsky Korsakov. Voorts waren er
families van
Turkse oorsprong die via het westen naar Rusland waren gekomen: de
Tiutchevs en
de Chicherins die uit Italië kwamen; of de Rachmaninovs, die
in de achttiende
eeuw uit Polen waren gekomen. Zelfs de Kutozovs waren van Tataarse
oorsprong (qutuz
is het Turkse woord voor ‘woedend’ of
‘waanzinnig’, wat een ironisch trekje
geeft aan de status van de grote generaal Mikhail Kutuzov, die
beschouwd werd
als een held van het zuiverste Russische bloed). Families van gemengde
Slavische en Tataarse afkomst vormden de derde categorie. Onder hen
bevonden
zich enkele van Ruslands meest vooraanstaande dynastieën
– de Sheremetevs, de
Stroganovs en de Sortopchins – hoewel ook veel van de
families op een wat lager
niveau stonden. Gogols familie was bijvoorbeeld van gemengd Poolse en
Oekraïense afkomst, maar was deels van dezelfde afkomst als de
Turkse Gogels,
wier achternaam was afgeleid van het Chuvash woord
gögül – een steppevogel
(Gogol stond bekend om zijn vogelachtige trekken, met name zijn
snavelvormige
neus). Ten slotte waren er Russische families die hun namen hadden
veranderd om
ze meer Turks te laten klinken, ofwel omdat zij waren ingetrouwd in een
Tataarse familie, ofwel omdat zij land hadden gekocht in het oosten en
soepele
betrekkingen wilden onderhouden met de inheemse stammen. Zo hadden de
Russische
Vleliaminovs hun naam veranderd in het Turkse Aksak (van aqsaq, wat
‘mank’
betekent), om op die manier gemakkelijker grote stukken steppeland van
de
Bashkir-stammen rond Orenburg te kunnen kopen. En zo ontstond de meest
toonaangevende familie van de Slavofielen: de Aksakovs.
Het aannemen van
een Turkse naam was tussen de vijftiende en
de zeventiende eeuw, toen de Tataarse invloed van de Gouden Horde nog
groot was
en veel adellijke dynastieën werden gevestigd, aan het hof van
Moskou erg in de
mode. Toen in de achttiende eeuw Peters edelen werden gedwongen hun
blik
westwaarts te richten, nam die mode af, om in de negentiende eeuw weer
de kop
op te steken – zelfs zozeer dat veel zuiver Russische
families legendarische
Tataarse voorouders verzonnen om zichzelf een meer exotisch imago aan
te meten.
Zo beweerde Nabokov (wellicht ironisch bedoeld) dat zijn familie
afstamde van
niemand minder dan Djenghis Khan zelf, die de vader zou zijn geweest
‘van
Nabok, een onbeduidende twaalfde-eeuwse Tataarse prins die getrouwd was
met een
Russische dame in een tijdperk dat de Russische artistieke cultuur een
intense
bloei beleefde’.
Nadat Kandinsky
uit het Komi-gebied was teruggekeerd, hield
hij voor het Antropologisch Genootschap een lezing waarin hij verslag
deed van
zijn bevindingen. De zaal zat vol. Het Russische publiek was destijds,
toen de
cultuur van het Westen wijd en zijd voor dood werd gehouden en
intellectuelen
voor spirituele vernieuwing hun blik naar het oosten richtten,
bijzonder
gefascineerd door het sjamanistische geloof van de Euraziatische
stammen. Deze
plotselinge interesse voor Eurazië werd echter ook ingegeven
door een levendig nieuw
debat over de wortels van de Russische volkscultuur. Volgens de
algemene mythe
had Rusland zich ontwikkeld als een christelijke beschaving. Zijn
cultuur zou
het product zijn van de gecombineerde invloed van Scandinavië
en Byzantium. Het
nationale epos dat de Russen graag over hun land vertelden, was het
verhaal van
een strijd tussen de landbouwers van de noordelijke wouden tegen de
ruiters van
de Euraziatische steppe – de Avaren en Khazaren, Polovtsianen
en Mongolen,
Kazakken, Kalmukken en al die andere pijl-en-boogstammen die Rusland
vanaf de
vroegste tijden waren binnengevallen. Deze nationale mythe was voor het
Europese zelfbeeld van de Russen zo onaantastbaar geworden, dat wie
zelfs maar
een Aziatische invloed op de Russische cultuur suggereerde het risico
liep van
verraad te worden beschuldigd. Het eerste belangrijke teken van een
culturele
omslag kwam in de jaren 1860, toen Stasov probeerde aan te tonen dat
van veel
elementen uit de Russische volkscultuur, de ornamentiek en de
volksverhalen (byliny)
eerdere voorbeelden te vinden waren in het Oosten. Aanvankelijk werd
Stasov
hier door de Slavofielen en andere patriotten op aangevallen, maar
tegen het
einde van de jaren 1880, toen Kandinsky zijn reis maakte, was er
niettemin een
ware explosie van onderzoek naar de Aziatische oorsprong van Ruslands
volkscultuur op gang gekomen. Archeologen als Dmitry Anuchin en Nikolai
Veselovsky
hadden aangetoond hoe diepgaand de Tataren de steentijd van de
Russische
cultuur hadden beïnvloed. Ook toonden zij aan, of op zijn
minst suggereerden
zij dat veel elementen uit het volksgeloof onder de Russische
steppeboeren van
Aziatische oorsprong waren. Antropologen hadden sjamanistische
praktijken
aangetroffen in heilige rituelen van Russische boeren. Anderen wezen op
het
ritueel gebruik van totems door de Russische boeren in
Siberië. De antropoloog
Dmitry Zelenin beweerde dat de boeren de animistische elementen in hun
geloof
hadden overgenomen van de Mongoolse stammen. Net als de Bashkirsa en de
Chuvash
(Finse stammen met een sterk Tataarse inslag), gebruikten de Russische
boeren
een slangvormig lederen amulet om koorts te verdrijven, en het was
bekend dat
zij, net als de Komi of de Ostiaks en de Buriats in het verre oosten,
het
karkas van een hermelijn of een vos bij de ingang van hun huis hingen
om het
‘boze oog’ af te wenden. Russische boeren uit het
Petrovsk-gebied van de
Midden-Wolga hadden een gewoonte die een overblijfsel leek van het
totemisme
zoals dat werd gepraktiseerd door veel Aziatische stammen: wanneer er
een kind
werd geboren, sneden zij een houten beeldje van de baby dat samen met
de
placenta in een kist onder het familiehuis werd begraven. Dit zou, zo
geloofden
zij, het kind een lang leven garanderen. Al deze bevindingen riepen
verontrustende vragen op over de identiteit van de Russen. Waren zij
Europanen
of Aziaten? Waren zij onderdanen van de tsaar of afstammelingen van
Djenghis
Khan?
▲ naar
boven
|