TAALBUREAU TEKST EN CULTUUR




       werkzaamheden

welkom       wie ben ik       aanbieding       tarieven       referenties       contact      links
















►    redactie

  schrijven

  vertalingen        uit het       op het gebied van







Galilei, Om de waarheid en de wetenschap. Brieven en beschouwingen

Galileo Galilei, Om de waarheid en de wetenschap. Brieven en beschouwingen. Groningen,  Historische Uitgeverij, verschijnt voorjaar 2010.
Onderstaande brief is de eerste van de bundel, geschreven in antwoord op een brief van de benedictijner monnik Benedetto Castelli (hoogleraar wiskunde en leerling van Galilei) die, door Groothertogin Christina van Lotharingen ondervraagd over de verenigbaarheid van enkele bijbelpassages met Galilei’s heliocentrische ontdekkingen, had gezegd dat wetenschappelijke kwesties op hun eigen merites moesten worden beoordeeld. Castelli schreef een volledig verslag van dit gesprek aan Galilei, die daarop besloot dat het moment was aangebroken om de uitdaging met de Schrift aan te gaan en de theologische bezwaren tegen het copernicaanse systeem te weerleggen. In zijn uitvoerige antwoord aan Castelli heeft hij voor het eerst zijn argumenten uitgewerkt en op een rijtje gezet en tevens een verrassende verklaring aangedragen voor de beruchte passage uit het boek Jozua, waarin God op verzoek van Jozua de zon zou hebben stilgezet teneinde de troepen van Jozua voldoende tijd te geven de veldslag tegen de Amorieten met een overwinning af te sluiten.

Voor de geïnteresseerde lezer kan het nuttig zijn eerst de inleiding de lezen.


Brief aan Don Benedetto Castelli (21 december 1613)

Zeereerwaarde Vader en Meest Geëerde Heer,

Gisteren heeft de heer Niccolò Arrighetti mij met een bezoek vereerd en mij uw berichten overgebracht. Het deed mij bijzonder veel genoegen van hem te vernemen dat aan de universiteit allen, zowel de decanen als de hoogleraren en de uit alle windstreken afkomstige studenten, zeer tevreden over u zijn (waar ik overigens nooit aan heb getwijfeld). Deze waardering heeft bovendien niet geleid tot een toename van het aantal rivalen, zoals gewoonlijk onder vakgenoten gebeurt, maar dit juist tot zeer weinigen beperkt. Uiteindelijk zullen ook de enkelingen die in deze ondeugd volharden zich moeten schikken, als zij tenminste niet willen dat de rivaliteit, die soms ook een deugd wordt genoemd, ontaardt in een verwerpelijk ressentiment dat in feite de meeste schade berokkent aan wie zich ertoe verlaagt. Mijn genoegen werd echter bezegeld toen mijn bezoeker mij vertelde hoe u dankzij de grote goedgunstigheid van Hunne Doorluchtigste Hoogheden in de gelegenheid bent gesteld aan hun tafel aan te zitten en het gesprek dat zich daar ontspon na afloop van de maaltijd voort te zetten in de vertrekken van Hare Doorluchtige Hoogheid, waarbij ook de Groothertog en Hare Doorluchtige Hoogheid de Aartshertogin aanwezig waren, alsmede de beroemde hooggeleerde heren Don Antonio en Don Paolo Giordano en enkele van de andere eminente filosofen van Pisa. Wat kunt u zich nog meer wensen dan te mogen ervaren hoe Hunne Hoogheden er een persoonlijk genoegen in scheppen zich met u te onderhouden, dat zij hun twijfels aan u voorleggen, luisteren naar uw oplossingen en ten slotte tevreden zijn met uw antwoorden?

De bijzonderheden die de heer Arrighetti mij over dit gesprek heeft meegedeeld, waren voor mij aanleiding enige algemene kwesties te hernemen omtrent de mogelijkheid zich in natuurfilosofische kwesties te beroepen op de Heilige Schrift, met name met betrekking tot de bewuste passage uit het Boek Jozua, die, met enkele tegenwerpingen van Hare Hoogheid de Aartshertogin, door de Groothertogin-Moeder werd ingebracht tegen de uitspraak dat de Aarde beweegt om een stilstaande Zon1.

Ten aanzien van het probleem zoals dat in zijn algemeenheid werd opgeworpen door de Doorluchtigste Vrouwe, komt het mij voor dat zij zeer wijs heeft gesproken en dat ook u, Eerwaarde Vader, er verstandig aan heeft gedaan toe te geven en te beamen dat de Heilige Schrift nooit onwaarheid beweert of zich vergist, en dat zij in al haar uitspraken de absolute en onschendbare waarheid verkondigt. Ik zou daar slechts aan hebben toegevoegd dat niet moet worden uitgesloten dat, ook al kan de Schrift zich nooit vergissen, enkele van haar exegeten en commentatoren zich soms wel degelijk, en op verschillende manieren kunnen vergissen. De meest ernstige, maar niettemin wijd verspreide misvatting is dat we altijd zouden moeten vasthouden aan de letterlijke betekenis van de woorden; behalve dat zich dan allerlei tegenstrijdigheden zouden voordoen, zou het ook zware ketterijen en zelfs godslastering met zich meebrengen, omdat we er dan niet aan ontkomen aan God behalve voeten, handen en ogen ook lichamelijke gewaarwordingen toe te schrijven en typisch menselijke gevoelens als woede, spijt of haat, en zelfs vergeetachtigheid ten aanzien van het verleden en onbekendheid met toekomstige gebeurtenissen. Omdat we in de Schrift dus vele beweringen aantreffen die, wanneer ze letterlijk worden opgevat, afwijken van de waarheid maar zo zijn geformuleerd om tegemoet te komen aan de onwetendheid van de eenvoudige mensen, is het noodzakelijk dat de wijze exegeten de ware betekenis duidelijk maken aan de enkelingen die zich hebben onderscheiden van de onwetende mensen, en bovendien verklaren waarom deze betekenis in die specifieke bewoordingen is weergegeven.

Aangezien vele passages in de Schrift zich dus niet alleen lenen voor een interpretatie die afwijkt van de schijnbare betekenis van de woorden maar zo’n afwijkende interpretatie zelfs vereisen, komt het mij voor dat wij ons in discussies over de natuurlijke verschijnselen pas in laatste instantie op die letterlijke betekenis zouden moeten beroepen. Want hoewel de Heilige Schrift en de natuur beide hun oorsprong hebben in het goddelijke Woord – de ene is immers gedicteerd door de Heilige Geest, terwijl de andere de volkomen gehoorzame uitvoerster is van het goddelijk ontwerp – bedient de Schrift zich, opdat haar boodschap door iedereen zal worden begrepen, van een taal die in de letterlijke betekenis dikwijls niet samenvalt met de absolute waarheid. Maar aangezien de natuur daarentegen onuitputtelijk en onveranderlijk is en zij zich er absoluut niet om bekommert of haar verborgen doel en haar werking al dan niet begrijpelijk zijn voor de mensen met hun beperkte begrip en zij dus nooit de grenzen overtreedt van de wetten waaraan zij is onderworpen, lijkt het erop dat de zintuiglijke ervaringen of de conclusies die wij op grond van zorgvuldige experimenten hebben geformuleerd ten aanzien van de natuurlijke verschijnselen in geen geval in twijfel kunnen worden getrokken met een beroep op passages uit de Heilige Schrift waarin schijnbaar het tegendeel wordt beweerd, aangezien de Schrift niet aan dezelfde strenge wetten gebonden is als de natuur. Integendeel, wanneer de Schrift, om de eenvoudige reden dat zij voor ruwe en onontwikkelde volkeren begrijpelijk moet zijn, haar belangrijkste dogma’s heeft verhuld en aan God zelfs hoedanigheden toeschrijft die ver afstaan van zijn ware essentie en hiermee zelfs in tegenspraak zijn, wie zal dan koppig willen volhouden dat de Heilige Schrift bij die zeldzame keren dat zij uitspraken doet over de Aarde, de Zon of enige andere schepping dit oogmerk heeft laten varen en ervoor heeft gekozen zich strikt te houden aan de beperkte en letterlijke betekenis van de woorden? Dit zou met name tot problemen leiden daar waar de Schrift over deze scheppingen dingen beweert die ver afstaan van het primaire doel van deze Heilige Woorden, of zelfs dingen die, indien gepresenteerd als naakte en onverhulde waarheden, dat primaire doel eerder ondergraven, omdat de gewone mensen dan ook de artikelen die hun zielenheil behelzen in twijfel zouden trekken.

Op grond van het bovenstaande, en omdat het voor de hand ligt dat twee waarheden niet met elkaar in tegenspraak kunnen zijn, is het de taak van deskundige exegeten zich erop toe te leggen de ware betekenis van schriftpassages te achterhalen en deze in overeenstemming te brengen met de conclusies waarover wij op grond van duidelijke zintuiglijke ervaringen of dwingende bewijzen reeds uitsluitsel en zekerheid hebben verkregen. En omdat voorts de Schrift, ondanks het feit dat zij is gedicteerd door de Heilige Geest, om de hierboven genoemde redenen toch op vele punten uiteenzettingen bevat waarvan de ware betekenis tamelijk ver afstaat van de letterlijke betekenis, en wij bovendien niet met zekerheid kunnen zeggen dat alle exegeten spreken vanuit een goddelijke inspiratie, lijkt het mij verstandig om niemand toe te staan de Schrift eraan te houden dat zij de waarheid bevat in die passages waarin zij uitspraken doet over enig verschijnsel in de natuur waarvan ooit op grond van de zintuigen, experimenten of dwingende bewijzen het tegendeel zou kunnen worden aangetoond. Want wie zou er een grens willen stellen aan het menselijk vernuft? Wie zou willen beweren dat alles wat in de wereld te ontdekken valt reeds bekend is? Het is daarom zeer raadzaam om niet zonder noodzaak nieuwe artikelen met betrekking tot het zielenheil en de definitie van het geloof aan de bestaande toe te voegen, aangezien die sterk genoeg zijn om een bewezen en onderbouwde leer niet te hoeven vrezen. Want als dit klopt, welk een grote wanorde zou er dan niet ontstaan wanneer dergelijke voorschriften worden opgelegd op verzoek van lieden van wie wij niet weten of hun woorden zijn geïnspireerd door hemelse deugd, terwijl wij daarentegen wél duidelijk kunnen constateren dat deze heren geheel en al gespeend zijn van de noodzakelijke intelligentie om de bewijzen op grond waarvan de meest exacte wetenschappen tot bepaalde conclusies zijn gekomen te begrijpen, laat staan dat zij deze zouden kunnen weerleggen.

Ik zou geloven dat de autoriteit van de Heilige Schrift uitsluitend beoogt de mensen te overtuigen van de artikelen en uitspraken die noodzakelijk zijn voor hun zielenheil en die, omdat ze iedere menselijke rede te boven gaan, op geen enkele andere manier, noch met enige andere wetenschap geloofwaardig gemaakt kunnen worden dan bij monde van de Heilige Geest zelf. Het lijkt mij echter niet noodzakelijk te geloven dat dezelfde God die ons met zintuigen, met taal en verstand heeft begiftigd van ons zou verlangen dat wij deze gaven onbenut laten omdat Hij ons de dingen die wij daarmee kunnen ontdekken met andere middelen kenbaar heeft willen maken, met name met betrekking tot die wetenschappen waarover men in de Schrift slechts enkele fragmentarische en willekeurig verspreide passages kan lezen. Dat geldt in het bijzonder voor de astronomie, die zo summier wordt behandeld dat zelfs de planeten niet worden genoemd. Als de eerste schrijvers echter de bedoeling hadden gehad het volk de ordening en de bewegingen van de hemellichamen bij te brengen, zouden zij er niet zo weinig over hebben gezegd, namelijk zo goed als niets in vergelijking met de talloze indrukwekkende en prijzenswaardige conclusies die in deze wetenschap zijn vervat.

Zo ziet u, Eerwaarde Vader, als ik mij niet vergis, hoe slordig deze heren te werk gaan wanneer zij in disputen over verschijnselen in de natuur die niet rechtstreeks het geloof betreffen voorrang geven aan Schriftpassages, die zij dikwijls niet eens goed begrepen hebben. Wanneer deze heren daadwerkelijk de ware betekenis van een bepaalde Schriftpassage menen te kennen en zij er bijgevolg van overtuigd zijn in het debat dat zij daarover van plan zijn te voeren de absolute waarheid in pacht te hebben, laten zij mij dan in alle oprechtheid vertellen of zij menen dat iemand die in wetenschappelijke disputen de waarheid verdedigt een groot voordeel heeft op een opponent die de foutieve these blijkt te moeten verdedigen. Ik weet dat zij daarop met ‘ja’ zullen antwoorden, en dat zij zullen zeggen dat hij die de waarheid verdedigt kan beschikken over duizenden experimenten en duizenden dwingende bewijzen om zijn gelijk aan te tonen, terwijl de ander zijn toevlucht moet nemen tot sofismen, paralogismen en drogredeneringen. Maar als ze weten dat ze een dergelijk voordeel hebben op hun tegenstanders zolang de discussie beperkt blijft tot natuurfilosofische kwesties en er slechts filosofische wapens worden ingezet, waarom brengen ze dan onmiddellijk hun meest drastische en meest verschrikkelijke geschut in stelling, waarvan de aanblik alleen al voldoende is om de best getrainde en meest ervaren strijder de moed in de schoenen te doen zinken? Eerlijk gezegd geloof ik dat henzelf als eersten de moed in de schoenen is gezonken, en dat zij, omdat zij beseffen onder de aanvallen van hun tegenstander niet overeind te kunnen blijven, een manier trachten te vinden om hem niet naderbij te laten komen. Maar omdat, zoals ik zojuist gezegd heb, degene die de waarheid aan zijn zijde heeft een groot, of zelfs het grootste voordeel heeft op zijn tegenstander, en omdat twee waarheden onmogelijk met elkaar in tegenspraak kunnen zijn, hoeven wij geen enkele aanval te vrezen, ongeacht van wie die komt, mits wij in de gelegenheid worden gesteld onze zienswijze uiteen te zetten en wij worden gehoord door ter zake kundige personen wier inzicht niet overmatig wordt belemmerd door persoonlijke drijfveren en eigenbelang.

Om dit te schragen zal ik nu de bewuste passage in het boek Jozua bespreken, waarvoor u ten overstaan van de Doorluchtigste Hoogheden drie verklaringen heeft uiteengezet. Ik zal stilstaan bij de derde, die u terecht aan mij heeft toegeschreven, maar ik voeg er bovendien enige overwegingen aan toe die ik u naar ik meen niet eerder heb verteld.

Wanneer we dan aannemen en erkennen dat de tegenstander gelijk heeft en toegeven dat de woorden van de heilige tekst moeten worden verstaan zoals ze klinken en dus letterlijk moeten worden opgevat, en dat God in antwoord op het gebed van Jozua inderdaad de Zon heeft stilgezet en aldus de duur van de dag verlengd opdat hij de overwinning kon behalen (waarbij ik van mijn kant verlang dat wij ons beiden aan dit uitgangspunt houden en het dus niet zo kan zijn dat straks de tegenstander mij er wel aan houdt en zelf de vrijheid neemt om de betekenis van de woorden alsnog te veranderen of om te draaien) beweer ik dat deze passage zonder spoor van twijfel de onjuistheid en de onhoudbaarheid aantoont van het Aristotelische en het Ptolemeïsche wereldbeeld, en daarentegen zeer wel in overeenstemming is met het Copernicaanse.

Eerst vraag ik de tegenstander of hij weet welke bewegingen de Zon maakt. Indien hij dat weet, is hij gehouden te antwoorden dat de Zon twee bewegingen maakt, te weten de jaarbeweging van west naar oost, en de dagbeweging in omgekeerde richting van oost naar west.

Daarop leg ik hem als tweede vraag voor of deze twee bewegingen, die zo verschillend zijn en haast tegengesteld aan elkaar, beide in gelijke mate toebehoren aan de Zon zelf en of zij beide door de Zon zelf worden uitgevoerd. Hij moet dan wel ontkennend antwoorden, omdat slechts één van beide bewegingen, namelijk de jaarbeweging, inderdaad toebehoort aan de Zon zelf, terwijl de andere toebehoort aan de hoogste hemel, die van het primum mobile,2 die de Zon, de andere planeten en de gehele sterrenhemel met zich meevoert en hen dwingt om in vierentwintig uur een omwenteling rond de Aarde te maken met een beweging die zoals gezegd bijna tegengesteld is aan hun eigen natuurlijke beweging.

Zo kom ik dan tot mijn derde vraag, namelijk met welke van deze twee bewegingen de Zon de dag en de nacht maakt: met haar eigen beweging of met die van het primum mobile. Hij zal moeten antwoorden dat de dag en de nacht het gevolg zijn van de bewegingen van het primum mobile, en dat de eigen beweging van de Zon niet de dag en de nacht, maar de verschillende seizoenen en het jaar zelf teweegbrengt.

Welnu, als de dag niet afhangt van de beweging van de Zon maar van die van het primum mobile, wie zal dan niet begrijpen dat om de dag te verlengen het primum mobile moet worden stilgezet, en niet de Zon? Sterker nog, zou niet iedereen die ook maar enigszins bekend is met de eerste beginselen van de astronomie inzien dat God, indien Hij de beweging van de Zon had stilgezet, juist een stukje van de dag zou hebben afgehaald en haar dus iets korter gemaakt zou hebben? Want omdat de beweging van de Zon zelf tegengesteld is aan de dagbeweging, zal naarmate de Zon zich meer oostwaarts beweegt, haar loop westwaarts vertraagd worden. En indien haar eigen beweging zou worden bekort of gestopt, zou zij dus sneller achter de horizon wegzakken. Dit verschijnsel is zeer goed waarneembaar bij de Maan, die haar dagelijkse omwenteling exact zoveel langzamer maakt dan de Zon als haar eigen beweging sneller is dan die van de Zon. Aangezien het in het stelsel van Ptolemaeus en Aristoteles dus volslagen onmogelijk is om de dag te verlengen door de Zon stil te zetten, zoals de Schrift beweert dat er gebeurd is, volgt hieruit dat ofwel de bewegingen niet verlopen zoals Ptolemaeus ze heeft gedefinieerd, ofwel dat de betekenis van de woorden moet worden aangepast, in die zin dat de Schrift, wanneer zij zegt dat God de Zon stilhield, bedoelde te zeggen dat het primum mobile werd stilgezet, en dat zij, om tegemoet te komen aan mensen die het verschijnsel van de zonsopkomst en -ondergang maar nauwelijks kunnen bevatten, het tegenovergestelde heeft beweerd van wat zij gezegd zou hebben wanneer zij zich had gericht tot ontwikkelde mensen.

Daar komt nog bij dat het niet geloofwaardig is dat God uitsluitend de Zon zou hebben stilgezet en de beweging van de andere planeten zou hebben laten doorgaan; hij zou dan immers zonder dat hiervoor enige noodzaak was de gehele ordening, de verschijning en de posities van de andere sterren ten opzichte van de Zon hebben gewijzigd en het systeem van de natuur ernstig hebben verstoord. Anderzijds is het wél geloofwaardig dat Hij het hele systeem van de hemelse sferen heeft stilgezet en na een tijdje het geheel weer in beweging heeft gezet, zodat alle hemellichamen na de onderbreking gezamenlijk en zonder enige verwarring of wijziging hun normale loop konden hernemen.

Wij waren echter overeengekomen de betekenis van de woorden niet te wijzigen, en wij moeten dus wel onze toevlucht nemen tot een andere theorie over de onderdelen van de wereld en onderzoeken of de letterlijke betekenis van de woorden daarmee rechtstreeks en zonder obstakels in overeenstemming is te brengen, hetgeen inderdaad zo zal blijken te zijn.

Want zoals ik heb ontdekt en overtuigend aangetoond, draait de bol van de Zon in een tijdspanne van ongeveer een maanmaand om haar eigen asin exact dezelfde richting als alle andere hemellichamen; het is bovendien zeer waarschijnlijk en redelijk te veronderstellen dat de Zon, als belangrijkste instrument en dienares van de natuur – bijna het hart van de wereld – niet alleen haar licht geeft aan de hemellichamen (zoals zij overduidelijk doet) maar aan de planeten ook haar beweging overdraagt. En wanneer wij dus conform de theorie van Copernicus de dagelijkse omwenteling toeschrijven aan de Aarde, wel, wie zal dan niet kunnen begrijpen dat het, om het gehele systeem stil te zetten teneinde de duur van het daglicht uit te breiden zonder ook maar iets te wijzigen in de verhoudingen tussen de planeten onderling, voldoende was om de Zon stil te zetten, zoals de woorden in de Schrift het ook precies beschrijven? Op deze manier wordt dus verklaard hoe op Aarde de dag wordt verlengd door de Zon stil te zetten, zonder dat de ordening van het universum wordt verstoord en zonder de woorden van de Schrift te veranderen.

Ik heb veel meer geschreven dan gelet op mijn lichte ongesteldheid verstandig is en sluit daarom nu af als uw zeer toegenegen dienaar. Ik kus uw handen en bid tot de Heer dat Hij u goede kerstdagen en alle voorspoed schenkt.

Vanuit Florence, 21 december 1613.
Van uw u Zeereerwaarde Vader
                                                   Zeer Toegenegen Dienaar,
                                                   Galileo Galilei.

 naar boven