|
Sinds Richard Wagner leek de
mythe van Tristan en Isolde het
eigendom van de Germaanse cultuur: welke componist zou immers het
risico willen
lopen dat zijn versie voor altijd zou worden vergeleken met die van de
meester
van Bayreuth? De jonge Claude Debussy durfde het in ieder geval niet
aan en nam
in plaats daarvan zijn toevlucht tot het verhaal van Pelléas
en Mélisande van
de Franse symbolist Maeterlinck, dat qua thematiek en personages zeer
verwant
is met de legende van de Tristan. Toen de Franstalige Zwitser Frank
Martin
(1890-1974) een halve eeuw later, in 1938, drie hoofdstukken uit de
rond 1900 geschreven
Tristan-roman van Joseph Bédier op muziek zette, markeerde
dit de doorbraak tot
zijn eigen stijl. Martin was toen 48 jaar oud en had zojuist enige
experimenten
met de twaalftoonsmuziek achter de rug. Voor hem vormde Wagner, die van
de
generatie van zijn grootvader was, niet langer een obstakel.
Frank Martin
is geboren en opgegroeid in Genève als zoon van
een Calvinistisch dominee. Na zijn studies piano en muziektheorie
verbleef hij
onder meer enige tijd in Zürich, Rome en Parijs, en vervolgens
keerde hij terug
naar Genève waar hij een belangrijke rol vervulde in het
muziekleven. Kort na
de Tweede Wereldoorlog vestigde hij zich in Amsterdam. Directe
aanleiding
daarvoor was zijn huwelijk met de Nederlandse fluitiste Maria Boeke,
maar het
kwam hem ook goed uit dat hij in Nederland wat afstand kon nemen van de
drukke
werkzaamheden die hem in Genève zozeer in beslag hadden
genomen dat hij aan
componeren niet meer toekwam.
Het
veelomvattend œuvre van Martin laat een gestage en
natuurlijke ontwikkeling zien, waarop tal van contemporaine stromingen
hun
uitwerking hebben gehad. De jeugdwerken lijken vooral bepaald door
Duitse
voorgangers, maar al snel wordt de invloed van Fauré,
Debussy en Ravel
hoorbaar. Onder invloed van zijn vriend Dalcroze verkende Martin de
mogelijkheden van exotische ritmes en melodieën en van
volksmuziek, maar hij
was niet zo gelukkig met het feit dat hij daarin zijn voorliefde voor
chromatiek en dissonante akkoorden niet kwijt kon. Dat was dan ook de
aanleiding om zich te verdiepen in het twaalftoonsysteem van Arnold
Schönberg,
dat immers met het opheffen van de beperkingen van de traditionele
cadens en de
diatonische toonladder een grote mate van vrijheid bood.
De nieuwe
verworvenheden paste hij meteen toe in zijn
composities, onder meer in de Quatre pièces
brèves voor gitaar uit 1933 en het Eerste
Pianoconcert (1933-1934). Het concept van atonaliteit als een vorm van
muzikale
anarchie wees hij echter af; in plaats daarvan ontwikkelde hij een
synthese
tussen de chromatische en twaalftoonstechniek waarin weliswaar
seriële
procédé’s werden toegepast, maar de
melodie behouden bleef.
Le vin herbé
In 1938
kreeg Martin het verzoek een werk te schrijven van
een half uur voor het Madrigalchor van Robert Blum in Zürich.
Dit werd Le
Philtre (‘de toverdrank’), het eerste deel van het
huidige Le Vin Herbé. “De
taal van Joseph Bédier ondersteunde mij zoals geen ander
proza had kunnen doen”,
zo lichtte de componist zijn keuze voor Bédiers bewerking
van het verhaal van
Tristan en Isolde toe, “en dankzij zijn uitzonderlijk goede
gevoel voor ritme,
voor de verhoudingen en voor de psychologische voortgang van de
handeling, kon
ik de tekst zo op muziek zetten als ze was, hetgeen een ondubbelzinnig
bewijs
is van haar volkomenheid.” Bij de première van Le
Philtre in 1940 viel het werk
zo’n warm onthaal ten deel dat Martin besloot het te
voltooien met nog twee
hoofdstukken uit de roman van Bédier: ‘La
forêt du Morois’ – waar beschreven
wordt dat de geliefden besluiten uit elkaar te gaan – en
‘La Mort’. Het werk
kreeg zo een afgeronde vorm en omvatte de gehele tragische
geschiedenis, zodat,
aldus Martin, “in deze Sage van Liefde en Dood niet alleen de
Liefde wordt
uitgebeeld, maar na alle vreugde en angst van de hartstocht ook de Dood
zijn
vrede kan brengen.” Het uiteindelijke driedelige werk wordt
omsloten door een
proloog en een epiloog die als een kader fungeren en het werk tot een
geheel
maken.
Le Vin
Herbé is het eerste werk waarin de nieuwe stijl van
Martin tot volle wasdom is gekomen en waarin hij een balans heeft
gevonden
tussen de expressieve vrijheid die het twaalftoonsysteem verschaft en
zijn
eigen behoefte in de traditie van de westerse muziek te blijven door
een tonaal
besef te handhaven. Dat tonale besef creëert hij door de reeks
zo op te bouwen
dat daarbinnen enkele of vele kleine of grote drieklanken zijn samen te
stellen
uit opeenvolgende tonen. Dankzij deze drieklanken bestaat de harmonie
vaak uit
bekende akkoorden met ‘verkeerde’ bastonen. Op
andere momenten is echter een
puur consonante harmonie te horen, zoals bij Tristans dood en bij het
overlijden van Isolde, waar de klagende muziek oplost in een
troostrijke majeur
drieklank. De vergankelijkheid van deze harmonische helderheid maakt
het effect
ervan echter des te droeviger.
Het stuk is
geschreven in een monodische stijl: Martin heeft
afgezien van elk contrapunt dat de woorden onverstaanbaar zou hebben
gemaakt,
evenals van tekstherhalingen die de vertelling zouden vertragen (de
enige
uitzondering daarop vormt de klacht ‘Tristan est
mort’ in het derde deel). De
vertelling zelf wordt afwisselend toegewezen aan het koor, de solisten
of de
kleinere rolzangers die zich voor de afzonderlijke rollen losmaken uit
het koor
en in de directe rede zingen. Het koor wordt ook ingezet als
begeleiding van
bepaalde grote sologedeelten, met name die van Brangien (bediende van
Iseult),
daar waar zij de onontkoombare macht van het noodlot tot uitdrukking
brengt. De
zeven strijkers en de piano die samen het ensemble vormen worden
terughoudend,
maar niettemin bijzonder effectief ingezet en verlenen vaak met een
ritmische
puls vaart aan de beweging. Bovendien volgen zij het verhaal op de
voet. Zo is
in het derde deel goed te horen hoe de begeleiding, die eerst in een
triolenbeweging het schommelen van het schip laat horen, tevens het
moment
hoorbaar maakt dat Iseult van boord gaat en aan land stapt.
Voortzetting
Met zijn
cantate Le Vin
Herbé plaatste Martin zich binnen de
Europese oratoriumtraditie, die hij vervolgens heeft voortgezet met
religieuze
werken als In Terra Pax
(1944), Golgotha
(1945-1948, naar aanleiding de
Rembrandts ets ‘De drie kruisen’), en het
grootschalige kerstspel Mystère
de la
Nativité (1959). Als resultaat van zijn
pogingen om zijn nieuwe stijl ook
‘woordeloos’ toe te passen, kwam al spoedig na de
totstandkoming van Le
Philtre
tevens een groot aantal instrumentale werken tot stand, zoals de Sonata da
chiesa (1938), een reeks Ballades voor solo-instrument en
orkest, en de Petite
symphonie concertante (1944-1945), het werk voor solo harp
en piano met dubbel
strijkorkest waarmee hij internationale bekendheid verwierf.
▲ naar
boven
|