door Janine
Ludwig
Quartett is een
internationaal succes en verreweg het meest
gespeelde werk van Heiner Müller. Vaak wordt dit toegeschreven
aan het feit dat
het – althans op het eerste gezicht –
Müllers minst politieke stuk is. Maar die
schijn bedriegt: Quartett
is wel degelijk politiek, zij het niet zozeer in de
thematiek als wel in zijn filosofische radicaliteit. Ook al gaat het
oppervlakkig
gezien om de vaak uitgebeelde ‘strijd tussen de
geslachten’, in dit stuk
manifesteert zich in die strijd tevens niets minder dan de crisis van
de rede,
ja van de beschaving zelf. De auteur stelt de vraag of menselijkheid
mogelijk
is in een volledig verlichte wereld – en wat hij ziet is,
laten we zeggen,
donkergrijs. Het project van het humanisme verklaart hij voor mislukt.
Hij
meent zelfs dat Quartett een weerspiegeling is van terrorisme, en de
terreur
waar hij op doelt is die van de taal, van Hölderlins
‘dodelijk feitelijk
woord’, de beestachtigheid van de conversatie waarin
‘ieder woord een wonde
openrijt, ieder lachje een hoektand ontbloot’.
Met de
eerste
regieaanwijzing wordt de crisis van de rede
gedateerd: de tekst wordt gesitueerd in het tijdperk van de
Verlichting, kort
voordat die door een emancipatorische theorie omsloeg in de bloedige
deugdterreur van de Franse Revolutie, en die mogelijk in een derde
wereldoorlog
en de zelfvernietiging van de mensheid zal culmineren. Je zou ook
kunnen zeggen:
het burgerlijke tijdperk.
Heiner
Müllers stuk gaat terug op de briefroman Les liaisons
dangereuses, die in 1782 door Pierre Ambroise
François Choderlos de Laclos
anoniem werd gepubliceerd – onder het moralistisch
voorwendsel met dit werk de
decadentie van het Ancien Régime aan de kaak te stellen.
Zijn heldin, de
Marquise de Merteuil, brengt de tijd door met het tot stand brengen en
verstoren van relaties. Haar handlanger en ex-geliefde Vicomte de
Valmont zou
om haar te wreken de getrouwde madame de Tourvel, prototype van het
fijngevoelige deugdideaal van destijds, moeten veroveren. Als beloning
belooft
zij hem haar nicht Cécile de Volange te mogen ontmaagden,
die hij echter enkel
om zijn eigen wraakzucht uit te leven haast en passant verleidt. Het is
de
geoefende veroveraar te gemakkelijk. Tourvel biedt een veel grotere
uitdaging,
maar wordt uiteindelijk zijn Waterloo: hij wordt verliefd op haar en
verliest
de controle. Dat vergeeft Merteuil hem niet en het zet een vete in gang
die
beiden noodlottig wordt: hij sterft in een duel, zij verliest haar
belangrijkste
attributen: schoonheid, geld, en maatschappelijk aanzien en positie.
Madame de
Tourvel sterft eveneens en de nicht belandt in het klooster. Met
beangstigende
precisie schildert Laclos het beeld van de nieuwe tijd waarin een op de
spits
gedreven rationaliteit regeert. De tekenen van dit bewind zijn kennis
en taal,
zijn lievelingstruc is manipulatie. Niet alleen de moraal wordt door
deze
cynische rede terzijde geschoven: zelfs het genot komt te kort, want
kennis is
belangrijker. Toch speelt achter dit alles ook de mislukte poging van
een
adellijke dame om zich in de mannenmaatschappij een plaats te
veroveren,
oftewel te emanciperen.
Bijna
tweehonderd
jaar later neemt Heiner Müller als
uitgangspunt deze roman die hij, naar hij beweert, zelf nooit in zijn
geheel
heeft gelezen. Het verhaal brengt hij terug tot het skelet, zowel
inhoudelijk
als qua vorm. Wat overblijft zijn de twee hoofdpersonen die alle vier
de
personages spelen. Zij spelen drie spellen ineen, en daarbinnen woedt
tussen
beide hoofdpersonen een strijd die met toenemende wreedheid wordt
gevoerd.
1) Valmont speelt de kuise Tourvel na zoals zij door hem
verleid wordt; Marquise de Merteuil speelt overtuigend de vrijdenkster.
Het is
een routineuze rolwisseling – men kent elkaar immers lang
genoeg om elkaars
tactieken en rituelen te kunnen na-apen. Hoofdthema is uitgerekend de
christelijke metaforiek van de verlossing van de mensen, van
berouwvolle
zondaars en van de slachtoffers van de deugd. Zuivere ironie,
kwaadaardig
citaat. Wat de markiezin nog niet weet: er wordt iets nageaapt dat al
lang
voorbij is, want Valmont heeft de ‘klus’ reeds
geklaard. Plotseling breekt een
piepklein moment van ernst door in het spel, als de Vicomte zegt:
‘Ik geloof
dat ik er wel aan zou kunnen wennen om een vrouw te zijn,
Marquise’, waarop zij
antwoordt: ‘Ik wou dat ik dat kon’.
2) Valmont imiteert zichzelf, als de man die de nicht alias
Marquise de Merteuil verleidt. De geslachtsdaad als goddelijke
openbaring. In
de rol van zoete onschuld komt de snode intrigante plotseling
nauwelijks nog
tot woorden. Zij raakt in de verdediging als zij het gespeelde geweld
aan haar
eigen lijf ervaart. Is het misschien meer dan een spel, is het ook
bittere
herinnering? Wie weet hoe haar eerste liefde met haar heeft gespeeld
... Is het
jaloezie of wraak wat de markiezin aanzet om de duimschroeven aan te
draaien en
als dameoffer de zelfmoord van Tourvel te eisen?
3) Valmont neemt de rol van de stervende Madame de Tourvel
met liefde over, hoewel hij weet dat de wijn vergiftigd is en zijn spel
dodelijke realiteit. Maar hij steelt de triomf van zijn tegenstandster
en stemt
in met zijn verlies: ‘Het is goed een vrouw te zijn en geen
overwinnaar.’ Nog
zijn eigen dood ensceneert hij. Hij stileert zich tot slachtoffer. En
geniet
ervan. Marquise de Merteuil blijft alleen achter met haar kanker. Een
Pyrrusoverwinning.
Achter deze
uiterste verschraling van de gebeurtenissen
steekt echter veel meer dan enkel het inzicht dat een strijd tussen de
geslachten alleen verliezers kent. Müller koppelt zijn koele
Becket-achtige
blik aan de wezenlijke conflicten.
Een daarvan
is de
vloek van het cartesianisme. Met René
Descartes’ dualistische scheiding tussen materie en geest, of
ook tussen natuur
en God, ontstond het liefde-zielprobleem dat filosofen bezighoudt tot
op de dag
van vandaag. Natuur en rede werden onmiddellijk tegen elkaar
uitgespeeld, en
omdat de rede van God zou afstammen, zou de natuur enkel kunnen
verliezen. Max
Horkheimer en Theodor Adorno beschrijven in de Dialectiek van de
Verlichting deze
strijd als voortschrijdende natuurbeheersing door instrumentele rede.
Maar jammer
genoeg is de mens zelf deel van de natuur, en daarom zou hij ook zijn
innerlijke natuur, net als de uiterlijke, hebben gedomesticeerd. Dat is
logisch: wie zijn eigen heer is, is altijd ook zijn eigen knecht.
Dit bracht
een
devaluatie van het lichaam met zich mee. Het
lichaam zou een ‘minder, dierlijk’ deel van de mens
zijn, en dat idee ging
gepaard met een groeiende lichaams- en lustvijandigheid. De
filosofische climax
hiervan werd in 1747/48 geformuleerd door Julien Offray de la Mettrie:
De mens
als machine.
In die trant
spreken ook de beide edellieden in Quartett:
Valmont tekent zijn verleidingen uit als jachtscènes; de
markiezin beschouwt
haar lichaam als een machine en spreekt erover in economische
categorieën van vraag,
aanbod en koopovereenkomsten. Beide concepten dienen om zich te
distantiëren,
niet alleen van iets van een lagere orde (‘Wat gaat mij de
lust van mijn
lichaam aan, ik ben geen stalmeid’), maar vooral van elkaar.
Het is een
bolwerk
tegen het gevaar van ernstige gevoelens,
want die maken kwetsbaar: ook Merteuil en Valmont vormden ooit een
liefdespaar.
Het publiek komt niet te weten wat er destijds gebeurd is, maar het
klinkt
steeds mee, de gekwetstheid en het verlangen, de toenadering en de
verwerping
... En het is beslist meer dan scherts wanneer de markiezin de Vicomte
opeens
een huwelijk voorstelt.
Toch gebeurt
het
maar zelden dat zij op die manier uit haar
rol valt. Als er al sprake is van liefde dan wordt die verdoezeld, want
het mag
in haar rationele speelgoed niet voorkomen. Evenmin als de angst voor
de
ouderdom of het alleenzijn en de vraag naar de diepere zin van het
mens-zijn.
Wanneer Valmont het ‘niets in onze ziel dat om voedsel
kraait’ beklaagt, vraagt
Merteuil met wetenschappelijke objectiviteit: ‘Wat is dat,
onze ziel. Een spier
of een slijmhuid?’ Zij is de radicale rede toegedaan: na
verlichting komt
verheldering. En toch weet ook zij hoe dun de mantel van de beschaving
is, hoe
dicht de mens staat bij het dier en zijn onderdrukte driften. Zij
vreest de
‘nacht der lijven’, een ongeremde seksuele droom
van geweld die misschien haar
hart zou ontsluiten. Wanneer Heiner Müller sprak van
‘weerstand van het lichaam
tegen de verkrachting van de ideeën’, dan zag hij
schoonheid, dromen, lust en
seksualiteit als enkele van de uiteindelijk nooit volledig beheersbare
restanten van het menselijke.
Het stuk
draait om
een zwart gat: het dilemma van de mens
die zich geplaatst ziet tussen God en dier, tussen een geestelijke
vlucht in de
eeuwigheid en een lichaam dat steeds gebonden blijft aan de eindigheid.
‘Ach,
de slavernij van de lichamen. De kwelling te leven en niet God te zijn.
Een
bewustzijn te hebben en geen heerschappij over de materie.’
Nog voordat
Nietzsche God officieel dood verklaarde, was hij
al vermist. Met hem leek ook het waartoe, de metafysica, afgeschaft.
Horkheimer
en Adorno schrijven dat de Verlichting de wereld heeft willen
onttoveren – en
haar betovering heeft zij inderdaad vlot verloren. Romantiek, liefde,
magische
momenten? Toch niet bij ons redelijke mensen; zo gek zijn we niet dat
we ons op
dergelijke illusies verlaten. Alle zogenaamde verleidingen van het
intrigantenpaar zijn niet meer dan machtsspelletjes en laten nog geen
spoor van
genieting na. In plaats daarvan rest hen de verveling, want
‘ons verheven
beroep is de tijd te doden’. Hij heeft geen mens nodig:
‘Daar zijn er te veel
van’.
Even
spoorloos
verdwenen is in dit stuk de moraal. Waarom
gebruiken mensen hun verstand, zo vraagt Mephisto, ‘enkel om
dierlijker dan
ieder dier te zijn’? Was er dan geen Verlichting ingetreden,
was de wereld
behalve redelijker dan niet ook menselijker te maken? Voor Kant was dat
uiteindelijk een en hetzelfde. Hij meende dat de rede niet puur
instrumenteel
kon worden ingezet, maar geloofde dat de morele basis de mens evenzeer
is
aangeboren als de natuurwetten. Zo geformuleerd zou God vervangen
kunnen worden
door de rede, maar de geschiedenis weerspreekt dat: rede brengt wel
kennis,
maar geen moraal.
Hoe zou
zo’n moraal er in een tijdperk van verlichting uit
moeten zien? Het van oudsher hoofse deugdbegrip wordt door Valmont en
Merteuil
uiteengereten als niet meer dan een façade; religieuze
overtuigingen worden
door hen zelfs misbruikt om hun perversiteiten te rechtvaardigen. Maar
de
onmenselijke deugdterreur van een Robespierre, oorspronkelijk
geformuleerd als
utopisch tegenbegrip tegen zulk een lasterlijkheid, eindigde in de
onthoofding van
duizenden.
Markies de
Sade,
wiens echo in alle delen van Müllers stuk
meeklinkt, heeft het dilemma teruggebracht tot zijn essentie door te
tamboereren op de dierlijke natuur en het ordeningsprincipe van de
Verlichting
consequent op te hangen aan het lichaam. Iedere plek, iedere
lichaamsopening
arrangeerde hij in doorberekende orgieën. Hij zag de mens als
lustmachine en
begreep seksualiteit als methodische wetenschap. In zijn theoretische
geschriften heeft De Sade het programma van de rede zodanig op de spits
gedreven
dat er voor de metafysica geen plaats meer was. Horkheimer en Adorno
geven hem
na dat hij toch maar ‘de onmogelijkheid om uit de rede een
fundamenteel
argument tegen moord aan te voeren niet heeft verdoezeld, maar de
wereld in
heeft geschreeuwd’.
Waarin zal
de
nieuwe menselijkheid geworteld kunnen zijn,
waarop zal een moraal gegrondvest zijn, als het niet is op God of de
rede? De
vaak uitgeroepen Nieuwe Mens worstelt nog met zijn identiteit. Of hij
huist in
het niet-oord dat wij utopie noemen. Bij Müller licht het
gelaat van de ware
menselijkheid alleen in zijn negatief op.
En dan is er
nog
het lievelingsproject van de Verlichting:
de emancipatie, het ‘ontwaken van de mens uit zijn zelf
opgelegde onmondigheid’
(Kant), die dan wel aanvankelijk voorbehouden moest blijven aan de
mannelijke
mens. De Marquise de Merteuil belichaamt zowel bij Heiner
Müller als bij Laclos
de hoop van de vrouw om in de heerschappij van de rede haar
achterstelling op
grond van haar veronderstelde lichamelijke inferioriteit af te leggen
en te
kunnen ‘meespelen’ – ook wanneer dit ten
koste gaat van de eigen behoeften en
gevoelens. Maar juist dat lukt nooit helemaal: zij kan het vrouwzijn
noch
afleggen, noch zich erbij neerleggen. Ook al bespeelt de markiezin
aanvankelijk
superieur en soeverein het klavier van haar machtsspel, aan het einde
staat zij
toch alleen en met lege handen. In haar woekert de kanker, als een
soort wraak
van het lichaam. Als woekering van het vlees is de kanker daarmee een
donker
tegenbeeld van zwangerschap, die met de groei van nieuw vlees juist
nieuwe hoop
vertegenwoordigt.
Uiteindelijk
zijn
alle drie de vrouwen van het stuk
slachtoffer. Door de man Valmont wordt de rol van slachtoffer weliswaar
alleen
maar gespeeld, maar hij doet dat met genoegen: ‘Overigens
schep ik nog steeds
behagen in mijzelf. Ook met de wormen is het goed
masturberen’. Als auteur werd
Heiner Müller om zijn brute beelden beticht van
vrouwvijandigheid. Men kan hem
echter evengoed een zeker medeleven met de vrouw als slachtoffer van de
geschiedenis
toedichten. Aanleidingen daarvoor zijn te vinden in zijn biografie,
onder meer
in zijn moeizame leven met de door de oorlog getraumatiseerde dichteres
Inge
Müller. Na haar zelfmoord in 1966 – haar dertiende
poging in de dertien jaar
dat zij samen waren – duikt zij op in veel van zijn stukken,
als ‘vrouw in de
val’, als slachtoffer, als iemand die het laat afweten of als
wreekster.
Natuurlijk zijn dat ook mannenfantasieën, vrouwenbeelden in de
mannelijke blik.
Niettemin bevatten zij als cliché’s een kern van
waarheid, want vanwege haar
veronderstelde nabijheid tot de natuur als ‘donkere zone van
de Verlichting’
werd de vrouw gevreesd en onderdrukt. Is het vrouwvijandig om dat bloot
te
leggen? Of hebben we hier juist van doen met een man die schuldbewust
zijn
seksegenoten de ogen wil openen en zegt: laten we eerlijk zijn, dit is
jullie
wereld, zo komen de vrouwen ervan af, zo brengen we ze om.
Het is
verbijsterend hoe de dichter de meest vreselijke
gebeurtenissen en verschrikkingen in een wonderschone taal bezweert. In
zijn
land wordt hem om die reden verweten dat hij de barbarij
geësthetiseerd zou
hebben. En Quartett zou ronduit pornografisch zijn. Voor de afwisseling
werd
dit stuk dan ook niet om politieke redenen, maar om esthetische redenen
geweigerd.
Lange tijd vertegenwoordigde de schoonheid van de vorm voor hem de
utopische
hoop, maar toen deze hoop het begaf, vond hij dat kunst een
‘bloedige wortel’
nodig had: ‘Om verschrikking en terreur te kunnen
beschrijven, moet je er een
verstandhouding mee hebben.’ Hij hechtte dan ook geen geloof
aan de bewering
van Laclos die zei Les liaisons dangereuses als moralistische
waarschuwing of
ter afschrikking te hebben geschreven: ‘allemaal camouflage
van een in de
duisternissen van de ziel hevig geïnteresseerde
auteur’.
En hetzelfde
geldt
voor de Saksische dramaturg zelf. Hij
heeft, zo zei hij, de structuur willen blootleggen van geslachtelijke
betrekkingen zoals hij die voor werkelijk hield, en trouw aan zijn
grondregel
conflicten op de spits willen drijven en illusies willen verstoren.
Voor mensen
met weinig politieke ervaring is, aldus Müller, de
man-vrouw-betrekking de
enige geweldservaring die zij ondergaan, de enige strijd waarin bijna
iedereen
wel eenmaal in zijn leven in enigerlei vorm kwetsuren heeft opgelopen.
Natuurlijk ook Heiner Müller zelf, die deze tekst schreef
terwijl een
verdieping lager de vrouw die toen nog zijn echtgenote was met een
andere man
woonde. Mogelijk is dit een bron voor de ‘negatieve
impuls’, voor de
‘verstoring’ die hij voor noodzakelijk hield. Dat
betekende niet dat hij zelf
niet evenzeer in seksuele illusies zou leven, maar die hoorden naar
zijn mening
niet thuis in een stuk, want het politieke is nu juist niet
persoonlijk.
Bovendien vond hij dat aan de komedianteske aspecten van zijn stukken
altijd
volledig voorbij werd gegaan. Alsof hij wilde zeggen: ze doen toch
niks, ze
willen alleen maar spelen. En om Quartett kan natuurlijk ook gelachen
worden.
Er is alleen enige, laten we zeggen, donkergrijze humor voor nodig.
Janine
Ludwig
(Maagdenburg 1974), studeerde Nieuwe Duitse
Literatuur, Filosofie en Theaterwetenschappen in Göttingen,
San Diego (USA) en
Berlijn. Zij promoveerde op Heiner Müller bij Frank
Hörnigk aan de Berlijnse
Humboldt-Universiteit. Van 2002 tot 2004 was zij Academisch
vertegenwoordiger
van de Humboldt-Universiteit in New York, en sinds 2005 assisteert zij
als
referente Internationale contacten de Vice-presidente van de
Humboldt-Universiteit. Van haar hand verschenen talrijke publicaties
over onder
meer Heiner Müller.