
|
Iris Origo, Images and Shadows ('Een vrouwenleven')
Utrecht, Het Spectrum, 1999
Iris Origo
is het
meest bekend geworden met The
Merchant of
Prato, een reconstructie van
het dagelijks leven van een
veertiende-eeuwse koopman
uit de buurt van Florence op basis van zijn bewaard gebleven administratie.
Images and Shadows
is de autobiografie van deze begaafde Britse schrijfster, wier
jeugd zich afspeelde in drie uiteenlopende werelden.
Zij
verbleef als kind lange tijd afwisselend bij haar Amerikaanse
grootouders op
een landgoed in Long Island en bij haar Britse grootouders op een
buiten in
Ierland, en woonde later samen met haar moeder in de befaamde Villa
Medici in
Fiesole. Hun huis was in het voor-oorlogse Florence een centrum van de
artistieke en kosmopolitische elite.
Iris nam zich voor
zelf een heel andere inhoud aan haar
leven te geven dan haar moeder. In 1923 kocht zij samen met haar
verloofde de
Italiaanse graaf Antonio Origo het zwaar verwaarloosde landgoed La
Foce, om te
proberen dat samen weer tot bloei te brengen. In de passage hieronder
is beschreven
hoe hen dat met vallen en opstaan is gelukt.
Uit hoofdstuk 9 La Foce
Zevenenveertig
jaar geleden, op een winderige oktobermiddag
in 1923, zagen wij Val d'Orcia en het huis dat ons thuis zou worden
voor het
eerst. Ons huwelijk stond voor de deur, en al wekenlang hadden we te
koop
staande landgoederen bekeken in verschillende streken van
Toscane, maar
tot dan
toe hadden we niets gezien dat aan onze wensen beantwoordde. We wisten
heel
goed wat wij zochten: er moest genoeg werk te doen zijn om er ons hele
leven
mee te vullen, maar we hoopten ook dat het ook een mooie omgeving zou
zijn.
Zelf dacht ik aan een van die villa´s uit de veertiende of
vijftiende eeuw die
destijds evenzeer deel uitmaakten van het Toscaanse landschap als de
heuvels
waarop zij gebouwd waren of de lange, met cipressen omzoomde lanen die
er
naartoe leidden: villa's met een strenge façade die alleen
onderbroken werd
door een diepe loggia, met hoge gewelfde kamers in perfecte proporties,
grote
stenen kachels, misschien een kleine binnenplaats met een bron, en een
tuin met
een fontein en overgroeid door buxushagen. (Er zijn nog steeds veel van
dergelijke huizen, die nu leegstaan en in vervallen staat verkeren.)
Wat ik mij
niet had gerealiseerd, was dat dergelijke huizen alleen stonden op land
dat al
eeuwen geleden in cultuur was gebracht, en waar op de hellingen
terrassen waren
aangelegd die beplant waren met olijfbomen en waar de wijnstruiken
reeds in de
dagen van de Decamerone vrucht hadden gedragen. Als wij zo'n landgoed
zouden
kopen, dan zouden we niet zo veel meer te doen hebben; we zouden het
eigenlijke
werk overlaten aan onze fattore en alleen af ten toe
oogje hoeven houden op wat er gedaan werd, zoals het altijd was gegaan.
En dat was niet wat wij
wilden.
Uiteindelijk stond
er nog één landgoed op ons lijstje. Het
was zo’n 1.500 hectare groot en de grond was zeer arm, zo was
ons verteld. Het
lag in het zuiden van de provincie Siena, zo’n acht kilometer
van een nieuwe
bron die bij Chianciano ontsprong. Van daaruit reden wij over een
hobbelige,
slingerende weg naar boven, waarbij we op een doorwaadbare plaats een
stroompje
moesten oversteken. We kwamen langs enkele weinig goeds belovende
boerderijen,
en omgeven door het kreupelhout reden we via een steil karrenspoor
almaar
verder de heuvel op, in de hoop dat we vanaf de top het hele landgoed
zouden
kunnen overzien. De weg was niet meer dan een ruw karrenspoor, en we
dachten
niet dat er ooit eerder een auto overheen was gereden. De bossen aan
weerszijden van de weg waren gekapt of verwaarloosd. Hoger en hoger
klommen
wij, en het hart zonk ons steeds meer in de schoenen. Plotseling waren
we bij
de top en stonden we op een kale, winderige hoogvlakte, met de Val
d'Orcia aan
onze voeten.
Het was een brede
vallei, maar in die dagen bood het geen
verwelkomende groene aanblik, geen veelbelovende vruchtbare velden.
Door de
kronkelende rivierbedding liep slechts een klein stroompje water, en
door een
met stenen bezaaide woestenij zochten enkele muilezels hun weg. De
uitlopers
van de lage, kale kleiheuvels – de crese senesi –
vormden de waterscheidingen
die het landschap in een aantal kleine en verdroogde diepe valleien
verdeelde.
Er waren geen bomen, alleen enkele bremstruiken, en de gecorrodeerde
bergruggen
vormden een bleek en onmenselijk maanlandschap. Die herfstavond was het
met
zijn bleke gloed even fascinerend als een woestijnlandschap. Meer naar
het
zuiden tekenden zich tegen de lucht de vierkante toren van Radicofani
en de
zwarte keileembergen af – een geduchte barrière
tegen indringers, zoals vele
vijanden hadden ondervonden. Het meest werden onze ogen echter naar het
westen
getrokken: naar de top van de grote dode vulkaan die, net als de Fuji
Jama, het
hele landschap domineerde en in het niet deed verzinken. Monte Amiata,
zoals de
berg heette, leek te zijn geschapen op een ruimere, meer majestueuze
schaal dan
de omringende heuvels en dalen.
De geschiedenis
van het gebied gaat zeer ver terug. Er waren
reeds Etruskische dorpen met graven en geneeskrachtige bronnen in de
vijfde
eeuw voor Christus. De kastanjebossen op Monte Amiata hadden tijdens de
tweede
Punische oorlog het hout verschaft voor de Romeinse galeien, terwijl
van de
achtste tot de elfde eeuw zowel de Lombarden als de Karolingers hun
sporen
hadden achtergelaten in de prachtige Benedictijnse abdij van San Antimo
en de Abbadia
San Salvatore, in de pieve van San Quirico d'Orcia en in ontelbare
kleine
Romaanse kerkjes en kapelletjes – waarvan sommige nog steeds
in gebruik zijn. De
slingerende weg die wij aan de overkant van het dal nog net konden
zien, volgde
nog steeds min of meer de beroemde middeleeuwse pelgrimsroutes naar
Rome, de via
francigena, die deze verlaten vallei verbond met de rest van het
christelijke
Europa. Toen kwam de tijd van de kastelenbouw, van gewelddadige en
strijdlustige edelen – met name de Aldobrandeschi: de graven
van Santa Fiora,
die zich erop beroemden zoveel kastelen te bezitten dat zij nooit
tweemaal in
hetzelfde hoefden te slapen – en die aan Val d'Orcia de halve
ruïnes van
torens, forten en verdedigingsmuren hebben nagelaten die wij nu vanaf
ons
uitzichtpunt op bijna iedere heuveltop zagen liggen. Net voorbij het
dal lag Pienza,
één van de mooiste Renaissancesteden, de
schepping van die wereldlijke, en met
bijtend sarcasme schrijvende Aeneas Silvius Piccolomini, paus Pius II,
de
eerste Italiaan die evenveel waardering had voor kunstwerken als voor
de werken
van de natuur, en die in hete zomers zijn kardinalen ontbood voor een
conferentie in de kastanjebossen van Monte Amiata, ‘onder een
of andere boom,
bij het vriendelijke gekabbel van de bijeenkomst’.
Van dit alles
wisten wij op dat moment natuurlijk nog niets,
en nog minder konden wij voorzien hoe diezelfde bossen op Monte Amiata
die, net
die waar wij ons nu in bevonden, eeuwenlang een schuilplaats hadden
geboden
voor bannelingen en opgejaagden, ook gedurende ons leven een
toevluchtsoord voor
vluchtelingen zou zijn: dit keer voor anti-fascistische partizanen en
voor
geallieerde krijgsgevangenen. We wisten alleen dat dit weidse, eenzame,
onverzoenlijke landschap ons fascineerde en aantrok. Leven in de
schaduw van
die mysterieuze berg, een halt toeroepen aan de erosie van die steile
hellingen, deze naakte klei omvormen tot graanvelden, deze boerderijen
herbouwen
en zien hoe de bewoners weer tot voorspoed komen, deze verminkte bossen
weer
groen maken – dat was wat wij wilden.
Toen wij in de
daaropvolgende dagen de situatie wat beter onderzochten,
kwamen wij weer met beide benen op de grond. Het grootste deel van het
landgoed
bestond uit bos (meest dwergeik, hoewel er hoger op de heuvel ook een
mooi
beukenbos was) of armzalig gras. Slechts klein deel bestond uit goed
bouwland,
en zelfs daarvan was nog maar een fractie beplant met wijnstruiken of
olijfboomgaarden,
terwijl veel bruikbaar land nog steeds braak lag. Er stonden niet veel
gebouwen: behalve de villa zelf en de centrale bedrijfsgebouwen er
omheen,
waren er over het landgoed verspreid 25 boerderijen. Sommige daarvan
waren heel
moeilijk bereikbaar en allemaal waren ze bouwvallig. Op ruim anderhalve
kilometer meter van de villa lag een kasteel, Castelluccio Bifolchi
genoemd.
Van oorsprong was dit een Etruskische nederzetting die viel onder het
Lucomonaat van Clusium (getuige de mooie Etruskische vazen die in de
necropolis
in de buurt van het kasteel zijn gevonden en die nu in het museum van
Chiusi
tentoongesteld zijn), maar de eerste vermelding ervan in de
Middeleeuwen als
‘versterkte plaats’ dateert pas uit de tiende eeuw.
Daarna horen we er niets
meer over, totdat het in de zestiende eeuw een kleine rol speelt in de
langdurige oorlog tussen Siena en Florence om het bezit van het
Siënese
grondgebeid – een oorlog die de Val d’Orcia
langzamerhand degradeerde tot de
vervallen staat en de eenzaamheid waarin wij het aantroffen. Siena werd
in deze
oorlog gesteund door de troepen van Karel V, en Florence door die van
François
I van Frankrijk. Paus Clemens VII (die een geheim bondgenootschap was
aangegaan
met de Fransen) baande zich op een dag via een secundaire weg vanuit
Val
d'Orcia naar Montepulciano, en toen hij bij het Castelluccio aankwam,
uitte hij
de wens daar de lunch te gebruiken. De eigenaar van het kasteel, een
verstokt
Ghibellijn, weigerde echter hem binnen te laten, zodat de paus, moe en
hongerig
als hij was, gedwongen was door te rijden naar Montepulciano’.
[...]
Wat betreft de
villa zelf, men neemt aan dat die ooit dienst
heeft gedaan als poststation op de route waarlangs ook paus Clemens was
gereden, maar dat wordt nergens bevestigd. Het enige wat men zeker weet
is dat
in 1557 de landerijen, samen met die van het Castelluccio, overgingen
in de
handen van het Siënese ziekenhuis van Santa Maria della Scala,
waarvan het
wapen – een stenen ladder met daarop een kruis –
nog te zien is op de villa en
op de oudere boerderijen. Het huis zelf was nu niet bepaald de mooie
villa
waarop ik had gehoopt; het was meer een middelgroot, redelijk goed
geproportioneerd
landhuis. Het had een loggia op de begane grond, met rode bakstenen
bogen en
een façade waarin de ramen met hetzelfde materiaal waren
ingemetseld. Binnen
had het geen bijzonder karakter of aardige elementen. Een steile stenen
trap
leidde regelrecht naar een centrale, tamelijk donkere kamer die alleen
verlicht
werd door het licht dat door de rode en blauwe panelen van Victoriaans
glas
scheen. Via deze kamer kwam je in de kleinere kamers met bleek,
verschoten
behang. De deuren waren gemaakt van vurenhout, de vloeren werden
gevormd door
ruwe, veelal gebroken plavuizen, en in het hele huis hing een vochtige,
stoffige
geur van verval. Er was geen tuin, aangezien de bron alleen voldoende
was voor
de drinkwatervoorziening, en natuurlijk was er ook geen badkamer. Er
was geen
elektriciteit, geen centrale verwarming en geen telefoon.
Onder het huis
waren diepe wijnkelders, met enorme
eikenhouten vaten waarvan sommige wel zo’n 10.000 liter
konden bevatten. Via
een van de zijvleugels kwam je in de fattoria (het huis waar de
rentmeester en
zijn assistenten woonden). Even verder bevonden zich de wasserij, de
graanschuur, de opslagplaats van het hout en de gebouwen waar de
olijven
geperst werden en de olie werd opgeslagen. Nog een stukje verderop
waren de
stallen en de werkplaatsen van de timmerman en de smid. De kleine
donkere kamer
die dienst deed als schooltje, bevond zich naast onze keuken. De
ossenkarren
die het graan, de wijn en de druiven van de her en der verstrooide
boerderijen
brachten, werden uitgeladen in de tuin. Zo vormden de villa en de
fattoria
volgens oude Toscaanse traditie één nauw
verbonden klein universum.
Toen
wij advies
vroegen aan mensen uit onze kennissenkring
die verstand hadden van het boerenbedrijf, moedigden die ons bepaald
niet aan.
Iets proberen te verbouwen in de Siënese crete, zo zeiden zij,
was een lastige
en frustrerende onderneming: wij zouden heel veel geduld en energie
nodig
hebben – en vooral veel kapitaal. Eerst moest de al eeuwen
voortschrijdende
bodemerosie tot staan worden gebracht, dan moesten wij ogenblikkelijk
beginnen
met herbebossing, wegenbouw en nieuwe aanplant. De bossen waren, zoals
wij zelf
ook al gezien hadden, meedogenloos en zonder enig roulatiesysteem
gekapt, de
olijfbomen waren slecht gesnoeid, de velden slecht geploegd of
braakliggend en
het vee was ondervoed. Dertig jaar lang was er zo goed als niets
geïnvesteerd, niet in machines, niet in bemesting en evenmin
in
reparaties. De daken
van de
vervallen boerderijen lekten, de trappen waren weggerot, veel ramen
waren
gedicht met planken of dichtgestopt met lappen, en de door armoede
getroffen
families (die vaak uit meer dan twintig personen bestonden) zaten
bijeen in de
donkere en bedompte kamertjes. In een van die kamertjes troffen wij
enkele
maanden later een oude stervende man aan, die in een bed lag samen met
een
barende vrouw. Het kleine schooltje in de fattoria was in de winter
voor veel
kinderen onbereikbaar: de afstand was te groot en de wegen waren te
slecht. In
die periodes konden dus slechts enkele kinderen regelmatig naar school
komen.
De enige twee wegen – naar Chianciano en naar Montepulciano
– kwamen samen bij
ons huis (dat zich bevond op de waterscheiding tussen de Val d'Orcia en
de Val
di Chiana, waar ook de naam vandaan komt) en eindigden daar ook. De
meer
afgelegen boerderijen waren alleen bereikbaar over ruwe karrensporen,
en als
wij een poging wilden doen de productie op te voeren, dan zouden er op
zijn
minst tweemaal zoveel wegen moeten komen als er nu waren. Wij zouden
subsidies
nodig hebben van de overheid, en ook de medewerking van onze buren was
onontbeerlijk. In een district waar de landeigenaren over het algemeen
niet
beschikten over kapitaal om te investeren en er bovendien maar weinig
mensen
waren die animo hadden voor nieuwe methoden, zou dat niet makkelijk
zijn. Ook
zouden wij zeker op tegenstand stuiten van de boeren zelf –
die ongeletterd,
koppig en wantrouwig waren en die net als alle plattelanders over de
hele
wereld vasthielden aan hun eigen methodes. Aan waarschuwingen geen
gebrek dus.
Was het onze moed, onze onwetendheid of gewoon onze jeugd, dat wij ze
allemaal
terzijde schoven? In november 1923, vijf dagen na onze eerste blik op
Val
d'Orcia, ondertekenden wij de koopakte van La Foce. In maart van het
jaar
daarop trouwden wij, en onmiddellijk na onze huwelijksreis keerden wij
terug
naar de Val d'Orcia om een begin te maken met ons nieuwe leven.
Hoe kan ik de
smaak van onze eerste jaren in woorden vangen?
Wanneer de plaats waar je woont je thuis is geworden, kun je het niet
meer zien
met de nieuwe ogen van toen. Langzaam, maar onvermijdelijk, raakt deze
begintijd overdekt met het stof van het dagelijks leven, van de
plannen, de
complicaties en teleurstellingen. Toch zie ik zelfs nu soms nog een
bepaalde
lichtval of hoor ik een onverwacht geluid dat mij mee terugneemt naar
die
eerste verwachtingsvolle maanden, toen wij iedere dag wel iets, hoe
klein ook,
tot stand wisten te brengen, en toen ik ook in verwachting was van ons
eerste
kind.
Dat eerste jaar
leerde ik wat ieder plattelandskind weet:
hoe het is als je leven niet door een kunstmatige indeling wordt
geregeld, maar
door de natuurlijke gang van de seizoenen: in het vroege voorjaar wordt
de
grond geploegd, alvorens de maïs en de klaver in te zaaien; in
maart en april
worden de lammeren geboren en daarna wordt van de schapenmelk heerlijke
kaas
gemaakt, pecorino, een van de specialiteiten van dit gebied. Dat is
deels te
danken aan het feit dat in de weiden veel tijm groeit, dat hier timo
sermillo
of popolino wordt genoemd. (‘Chi vuol buono il
caciolino’, zo luidt een volks
gezegde, ‘mandi le pecore al sermolino.’
– Wie een lekker kaasje wil, moet zijn
schapen naar de tijm brengen.’) Daarna, in mei, werd er
gehooid, en in juni
geoogst en gedorst; in oktober werd de wijn gemaakt, en in de herfst
werd er
weer geploegd en gezaaid. Tenslotte werden aan het eind van het
boerenjaar de
olijven verzameld waar vervolgens olie van werd gemaakt. Het weer werd
iets om
rekening mee te houden, niet vanwege je eigen gemak, maar vanwege de
behoeftes
van de boeren: een regenwolk werd gretig gevolgd op zijn tocht over de
vallei,
in de hoop dat hij zo vriendelijk zou zijn de regen te laten vallen
– wat
zelden gebeurde – die het graan zou doen zwellen en een
tweede oogst van
veevoer mogelijk zou maken voor de lange zomerdroogte. Beschadiging van
de
gewassen als gevolg van late nachtvorst in het voorjaar werd een bijna
even
grote bedreiging als de hete, droge zomerwind of als, nog erger, de
zomerse
hagelbuien die het graan platsloegen en de druiven kapot maakten. In
herfst, na
het zaaien, baden wij weer om vriendelijke zachte regentjes.
[...]
Zo’n
halve eeuw later zijn mijn herinneringen misschien wat
mooier dan het in werkelijkheid was, en ik moet eerlijk toegeven dat er
ook
momenten waren dat ik het niet meer zag zitten. Ik herinner mij hoe ik
op een
grijze herfstmiddag, na een rit op de rug van een grijs ezeltje voor
een bezoek
aan een veraf gelegen boerderij (want er waren op dat moment nog geen
wegen
naar het dal), alleen achterbleef in een enigszins beschutte holle
plaats,
terwijl Antonio en de fattore naar een andere boerderij liepen. Van
waar ik zat
leken de kegelvormige kleiheuvels zo steil en zo kaalgeslagen door de
eeuwenlange erosie, dat zelfs nu nog geen poging is gedaan daar ook
maar iets
te verbouwen. Daar zat ik, naast een bremstruik – de enige
plant die daar wilde
groeien – op de grond die na de zomerdroogte net zo hard was
als je botten – en
volledig omringd door deze desolate heuvels: geen boom, geen plekje
groen, geen
spoor van menselijke bewoning, behalve de ruïne van een
wachttoren die zich
aftekende tegen de lucht op de plek waar wellicht ooit een Etruskische
toren
had gestaan, en daarna een Lombardische, die vervolgens in de
Middeleeuwen
herbouwd was om een rol te spelen in een serie triviale oorlogen, en
die nu
alleen nog maar bewoond werd door een onnozele schaapherder die aan de
voet van
de toren zijn haveloze kudde hoedde. Beneden mij lagen de velden aan de
rivier
– vruchtbaar land, dat nu echter nog braak lag en dat
overstroomd zou worden
als de rivier na de regens buiten haar oevers zou treden. Aan de
horizon,
achter de zwarte rotsen van Radicofani, pakten zich donkere stormwolken
samen,
en toen de wind het dal bereikte ontstonden er kleine wervelstormpjes
van
opgewaaid stof. Plotseling werd ik overvallen door een overweldigend
verlangen
naar het vriendelijke, goed verzorgde Florentijnse landschap van mijn
jeugd, of
naar de uitgestrekte groene velden en grote bomen van Engeland
– en vooral naar
een prettig huis met een tuin om ‘s avonds naar terug te
keren. Het landschap
hier was mij te vreemd, te onaards. Het was niet gebouwd op menselijke
schaal,
maar leek berekend op halfgoden en reuzen. Hoe zou het ooit door ons
getemd
kunnen worden, vroeg ik mij af, hoe zouden wij deze woestenij kunnen
omvormen
tot vruchtbaar land? Zou ons hele leven voorbijgaan in een strijd voor
het
onmogelijke?
[...]
Hoe bevredigend
het resultaat van onze inspanningen
uiteindelijk ook was, soms was het ook bijzonder frustrerend. De
frustratie
kwam ook voort uit de passieve weerstand van onze contadini tegen
iedere
vernieuwing (zoals onze raadgevers al hadden voorspeld). Ons land werd
bewerkt
volgens een systeem dat in Toscane gedurende zes eeuwen onveranderd
was, de mezzadria
– een contract waarbij de winst gedeeld werd: de landeigenaar
bouwde en
onderhield de huizen en kapitaal verschafte het kapitaal voor de
aankoop van de
veestapel, zaad, mest, machines, enzovoort, terwijl de pachter
– mezzadro, colono
of contadino genoemd – zijn eigen arbeid en die van zijn
familie inbracht. Als
de oogst was binnengehaald, werd de opbrengst gelijkelijk verdeeld
tussen de
landeigenaar en de pachter. In slechte jaren was het echter niet
ongebruikelijk
dat de landeigenaar de verliezen voor zijn rekening nam en de pachter
het
bedrag leende dat nodig was voor de aankoop van zaden, vee en mest. In
betere
jaren betaalde de pachter het geleende bedrag dan weer terug.
Op grotere
landgoederen zoals La Foce, dat bestond uit een
aantal boerderijen, was er meestal een centrale
‘hoofdboerderij’ de fattoria,
die zich dan bevond naast het huis van de landeigenaar en van waaruit
het
bedrijf gerund werd. In de fattoria woonde de rentmeester, de fattore,
met zijn
gezin en zijn knechten. De eigenaar (of zijn fattore) stelde de
wisselbouw
vast: hij bepaalde wat er op iedere boerderij verbouwd zou worden, wat
er aan
vee gekocht moest worden, welke machines er aangeschaft dienden te
worden en
welke reparaties er zouden uitgevoerd. In het kantoor van de fattoria
werden
door de centrale administratie de ingewikkelde grootboeken bijgehouden,
één
voor elke boerderij, waarin het winstaandeel van de contadini en de
uitgaven
werden bijgehouden, alsmede de leningen die in slechte jaren aan hen
waren
verstrekt. In de graanschuren en de kelders van de fattoria werd; de olie en de wijn
werd er gemaakt; de
boeren losten er hun ossenkarren, bespraken hun rekeningen en uitten er
hun
grieven en hun ongenoegens. Kortom, de fattoria was het hart van het
landgoed, en
alleen wie lang in Toscane heeft geleefd, begrijpt hoe dit langzame,
altijd
eendere systeem functioneert.
Van dergelijke
dingen hadden wij in onze begintijd op La
Foce nog geen weet. Wij togen zorgeloos aan het werk en voegden ons
naar de
gang van zaken. Alles schreeuwde erom gedaan te worden, en het liefst
hadden
wij alles tegelijk aangepakt. Voor mij ligt een lezing die mijn
echtgenoot ooit
heeft gehouden voor de Florentijnse landbouw-organisatie I Georgofili.
Hij gaf bij
die gelegenheid een beschrijving van de toestand zoals wij die bij onze
aankomst aantroffen en somt het werk op dat volgens hem gedaan moest
worden. De
belangrijkste punten waren:
- De invoering van een achtjarig
wisselbouwsysteem voor iedere
boerderij
- Het graven, draineren en bouwen
van
dijken en dammen op de
steile kleihellingen en van taluds in de rivier, zodat de zompige
stukken land
en land dat regelmatig onder water stond in cultuur gebracht kon worden
- Uitbreiding van de hoeveelheid
landbouwgrond door de erosie
op de hellingen tegen te gaan en op het braakliggende land de stenen en
keien
te verwijderen
- De bestaande boerderijen herbouwen
en
moderniseren, evenals
de graanschuren, kelders, opslagplaatsen en de stallingen van de
machines van
de fattoria, alsmede vernieuwing van de hele machinerie voor de
productie van
olijfolie
- Uitbreiding van de
olijfboomgaarden en
de wijngaarden
- Nieuwe wegen aanleggen
- Nieuwe boerderijen bouwen
- De veestapel, bestaande uit
runderen,
schapen en varkens,
uitbreiden en de kwaliteit ervan verbeteren, en voor dat doel ook het
aantal
hectares voor het verbouwen van alfalfa en klaver uitbreiden
- Het kappen van bomen opschorten
voor een
periode van
tenminste acht jaar, om daarna een regelmatig rotatieschema van twaalf
jaar op
te zetten.
- Verbetering van de medische en
onderwijsfaciliteiten
Het was een
verstandig programma, maar de uitvoering ervan
werd vertraagd door ons gebrek, niet alleen aan ervaring, maar ook aan
kapitaal. Iedere cent die we hadden was opgegaan aan de aankoop van het
landgoed, zodat het bedrag waar wij mee moesten werken enkel bestond
uit de
toelage van 5000 dollar per jaar van mijn grootmoeder. Daar begonnen we
mee.
Wat mijzelf
betreft, ik voelde mijzelf nog steeds een
vreemde in deze nieuwe wereld, en het lukte mij niet zo goed mijn
plaats te
vinden. De mensen die op de fattoria woonden – de fattore en
zijn vrouw en
kinderen, zijn drie assistenten en de fattoressa, die gewoontegetrouw
niet de
vrouw was van de fattore maar iemand die kookte en bakte, de
huishouding deed
en toezicht hield op het erf – vormden een gesloten groep.
Hun gebondenheid aan
tradities en levenswijze – die al zo lang niet veranderd was
dat zij ervan overtuigd
waren dat alles bij het oude zou en moest blijven – maakte
mij verlegen en
vreemd voor de boerenvrouwen die op bepaalde feestdagen te voet of met
de
ossenkar van hun boerderijen kwamen om mij een paar krijsende fazanten
of
duiven of een dozijn eieren in handen te stoppen, wat vaak gepaard ging
met een
vloed van grieven en klachten, verhalen over zieke familieleden of
verzoeken om
hulp of goede raad. Maar wat voor raad kon ik hun geven, als ik zelf zo
weinig
wist? Niets van wat ik had geleerd op Villa Medici of I Tatti was mij
hier van
nut. Ik vraag mij af of ooit een pas getrouwde vrouw zo slecht was
voorbereid
op de specifieke taak die haar in haar nieuwe leven te wachten stond.
Antonio
moest mij vertellen dat het mijn taak was mij bezig te houden met de
linnenkast
van de fattoria en met het erf. Ik wist niet dat de stof voor de lakens
om lang
mee te gaan gemaakt moesten worden van een mengsel, hoe ruw ook, van
linnen en vlas;
ik wist niet dat een deel van de wol na gebleekt en gewassen te zijn
ieder jaar
opzij gelegd moest worden ten behoeve van nieuwe matrassen; ik kon geen
leghornkip onderscheiden van een rhode island red. Ook lukte het mij de
eerste
jaren niet om net zo makkelijk als Antonio om te gaan met iedereen, of
de
subtiele hiërarchie te doorgronden tussen de fattore en zijn
assistenten, de
opzichters en de voormannen, de contadini en de dagarbeiders. Ik leerde
iedere
dag bij, maar nooit snel genoeg. Altijd voelde ik mij geremd en
verlegen, en
hoe meer ik mijn best deed vriendelijk te zijn, hoe gereserveerder ik
overkwam.
Ik vergezelde Antonio te voet of op de rug van een ezel van boerderij
naar
boerderij, en terwijl hij druk bezig was op de velden of in de stallen,
ging ik
het huis binnen en trachtte vriendschap te sluiten met de vrouwen en
kinderen.
Het was roeien tegen de stroom op. De vrouwen waren beleefd –
en op hun hoede.
Ze boden mij verse rauwe eieren te drinken aan, of een glaasje zoete
zelfgemaakte likeur; ze lieten mij de schapenkaas zien die ze gemaakt
hadden,
hun meubels en hun kinderen. Ik wist echter niet de goede vragen te
stellen, en
ik vond het impertinent om commentaar te leveren op de manier waarop
zij hun
huishouden voerden, ook al werd dat volgens Antonio van mij verwacht.
Ik kon de
ene kaas niet van de andere onderscheiden, ik had geen idee of de baby
mazelen
had of waterpokken, en de enige keer dat ik probeerde een oude vrouw
een
injectie te geven tegen astma, brak de naald. De zorg voor de kinderen
ging mij
beter af, en toen de nieuw scholen geopend werden, bracht ik daar veel
tijd
door – ik speelde met de kinderen tijdens de pauzes, bekeek
hun schriften,
zorgde voor een kleine bibliotheek, bewonderde hun groentetuintjes en
gaf
kleine prijsjes aan het eind van het schooljaar – en via de
kinderen leerde ik
uiteindelijk ook de vrouwen wat beter kennen. Niettemin bleef het een
zeer
eenzijdig eenrichtingsverkeer, en altijd stond de structuur van de
fattoria
ertussen. Als een vrouw kwam vragen of haar kind naar het ziekenhuis
gebracht
kon worden, of de teil gerepareerd kon worden, dan moest dat verzoek
gericht
worden aan de fattore, en soms ontdekte ik dat regelrechte opdrachten
van mij
niet waren uitgevoerd. Ik denk nu dat de aanwezigheid en de invloed van
deze
tussenpersonen een fundamentele kwaal van het systeem van de mezzadria
was. Zij
waren strenger tegen de contadini dan de eigenaars, omdat zij zich er
maar al
te goed van bewust waren dat zij slechts één
trede boven hen stonden, en vaak
lieten zij de eigenaar in onwetendheid over zaken waarvan zij meenden
dat het
beter of wenselijk was als de padrone er niet van op de hoogte was. Wat
ons
betreft had Antonio het geluk, vooral in de latere jaren, verzekerd te
zijn van
een groep loyale medewerkers die goede vrienden zijn geworden, maar dat
verandert niets aan mijn mening dat het systeem niet deugde, ook al was
het
misschien een onvermijdelijke consequentie van de hele structuur van de
mezzadria.
Ook de onrechtvaardigheid van de vermoeide en afgeleefde gezichten van
vrouwen
die maar even ouder waren dan ikzelf en het contrast tussen hun leven
en het
mijne zat mij vaak dwars, hoewel wij in die tijd zeker niet in grote
luxe
leefden. Een van de dingen waar ik nu het meeste spijt van heb, is dat
ik mij
door onervarenheid, verlegenheid en mijn andere belangen ertoe heb
laten
verleiden de weg van de minste weerstand te kiezen en die dingen te
laten voor
wat ze waren.
Antonio, die
makkelijker, hartelijker en taaier was en voor
wie de wereld om hem heen heel vanzelfsprekend was, liet zich nergens
van
afhouden. En het lot was ons gunstig gezind, omdat net in die tijd de
nieuwe
wetten van de fascistische regering van kracht werden die tot doel
hadden de
onontwikkelde gebieden in Italië productiever te maken. Het
programma – de bonifica
agraria – voorzag in geleide ontwikkeling (die soms leidde
tot beslaglegging op
het landgoed, met name op de vele grote verwaarloosde landgoederen in
het
zuiden, de latifondi, waarvan de afwezige landheren hun
beklagenswaardige
arbeiders soms zelfs verboden een verblijfplaats te bouwen die meer was
dan een
rieten hut, teneinde te voorkomen dat zij
‘bezettersrechten’ zouden kunnen doen
gelden), en verder in de financiering van grootschalige openbare werken
ter
bestrijding van de landerosie, het
aanmoedigen
van drooglegging en irrigatie, de aanleg van nieuwe wegen en scholen,
en
vervolgens in grote staatssubsidies en -leningen tegen lage rente
teneinde
actieve landeigenaren in staat te stellen de productie op te voeren en
de levensstandaard
van de pachters te verbeteren. Deze ‘slag om het
graan’ – die gepaard ging met
een behoorlijke dosis retorica aangezien het deel uitmaakte van
Mussolini’s
‘autarkiebeleid’ als antwoord op internationale
economische sancties – begon
met het droogleggen van de Pontijnse moerassen, het in cultuur brengen
van de
vlakten van de Toscaanse Maremma (waar kleine stukjes grond werden
toegewezen
aan oorlogsveteranen, net als in de dagen van het oude Rome) en een
campagne om
de malaria op Sardinië uit te roeien.
In
regio’s als de onze waar beslaglegging niet nodig was,
organiseerden de landeigenaren zich in de zogenaamde consorzi di
bonifica die
werden ondersteund met staatssubsidies. Nadat Antonio erin was geslaagd
(ondanks de tegenstand van enkele buren) ook in de Val d'Orcia
zo’n consortium
op te richten, begon onze samenwerking met enkele mannen die het beste
van het
fascisme vertegenwoordigden: de belangrijkste initiator van de leggi di
bonifica professor Arrigo Serpieri, een zeer deskundig en bovendien
bijzondere
aardige man, en verder een aantal goede technische experts die zich
lieten
inspireren door hun kritiekloze acceptatie van de fascistische slogans,
maar
ook door een oprecht enthousiasme voor hun werk. Het consortium van de
Val
d'Orcia werd opgericht in 1930 en Antonio bleef meer dan dertig jaar
lang
voorzitter en gangmaker. Er werd een kantoor geopend in Montepulciano,
een
efficiënte ingenieur in dienst genomen, en er werden plannen
op papier gezet voor
de hele vallei, van S. Quirico tot Radicofani, die ter goedkeuring
werden
voorgelegd aan de regering. De staat financierde twintig tot honderd
procent
van de benodigde fondsen, afhankelijk van de aard van de projecten,
terwijl de
landeigenaren het ontbrekende deel aanvulden, naar rato van de grootte
van hun
land – en van hun bereidheid.
Een van de meest
dringende taken was de erosie op de steile
kleiheuvels te stoppen. Voor dat doel had Antonio zo’n 25
stenen of aarden
wallen gebouwd in beken of greppels, waardoor landverschuivingen werden
tegengegaan. Tegelijkertijd waren er in de rivierbedding
vooruitstekende
stroomdammen gebouwd in de vorm van brede gemetselde muren die het
mogelijk
maakten om de loop van de Orcia te leiden, teneinde te voorkomen dat de
omliggende velden zouden onderlopen. Het water uit de hogere heuvels
werd naar
het braakliggende land gekanaliseerd, waar het vier of vijf jaar de
tijd kreeg
om geleidelijk een nieuwe, rijke bodemlaag te creëren,
waardoor nog eens 75
hectare vruchtbaar land in cultuur gebracht kon worden. Ook werden er
artesische putten gegraven onder leiding van waterzoekers die met een
wichelroede vaak konden voorspellen waar water gevonden kon worden en
zelfs hoe
diep het zat en hoeveel er was. (Dit is een veel vaker voorkomende gave
dan
over het algemeen wordt aangenomen, en ik was helemaal opgetogen toen
ik voelde
hoe ook in mijn handen de wichelroede begon te trillen wanneer ik over
een
waterbron liep.)
Even urgent was
het herbebossingsprogramma. Hiervoor kregen
wij financiële en technische hulp van het Rijksdepartement van
Bosbouw. Er
werden twee grote kwekerijen voor jonge aanplant ingericht, en van de
hellingen
en de ravijnen werd zo’n 250 hectare beplant met zaailingen
of jonge boompjes
(meest eiken, pijnbomen en cipressen). Tegenwoordig zijn de meeste van
deze
stukken land overdekt met groene bossen.
Daarna waren de
wegen aan de beurt. Ten tijde van onze komst
op La Foce eindigde de enige goede weg bij ons huis, en veel van de
verafgelegen boerderijen konden alleen bereikt worden over ruwe
karrensporen
die bij slecht weer nauwelijks begaanbaar waren. (Ik herinner mij maar
al te
goed hoe de plaatselijke dokter – een oude man –
een door difterie getroffen
kind trachtte te bereiken, rechtop gezeten op een stoel in de kar,
gekleed in
zijn donkere pak, terwijl de ossen door de diepe modder ploeterden en
opgejaagd
werden door de angstige vader.) Eerst moesten de bestaande wegen worden
verbeterd
of verlengd. Daarna – toen er na de aankoop van het
Castelluccio een flink stuk
land bij was gekomen – moesten er nieuwe wegen gebouwd worden
om de geïsoleerde
boerderijen met de rest van het bedrijf te verbinden.
Het enthousiasme
waarmee deze hele onderneming gepaard ging,
is moeilijk in woorden te vangen. Hier werd de aarde benut die
eeuwenlang braak
had gelegen, maar voordat de ploeg aan het werk kon gaan, moesten de
enorme
keien worden opgegraven en verwijderd, evenals de wortels van oude
bomen. Ook
moest het land worden gestabiliseerd met diepe greppels voor de afvoer
van
overtollig water en met nieuwe dijken en dammen. Dit karwei nam vele
maanden in
beslag, maar als wij eenmaal een nieuw stuk weg voor ons zagen liggen,
of de
tractor eindelijk de grote klompen glanzend nieuwe donkere klei kon
gaan
omspitten, overviel ons een gevoel van diepe tevredenheid en
vervulling. Iets
soortgelijks moeten pioniers in een nieuw land hebben ervaren als voor
hun ogen
de woestijn veranderde in hun eigen beloofde land. In 1940, net voor de
oorlog,
waren er op ons land nieuwe wegen aangelegd met een totale lengte van 9
kilometer, terwijl het consorzio di bonifica in het hele district
zo’n 15
kilometer aan doorgaande wegen had gebouwd. Al deze wegen werden
overschaduwd
door een haag van populieren in het dal en door cipressen en pijnbomen
langs de
hoger gelegen wegen. Iedere boer kon nu zijn producten naar de markt
brengen,
en ieder kind kon naar school.
Na de wegen kwamen
de boerderijen zelf aan de beurt. Ik heb
al eerder beschreven in wat voor staat die verkeerden bij onze
aankomst:
sommige moesten helemaal worden afgebroken en van de grond af weer
worden
opgebouwd, van andere waren de funderingen goed genoeg om te kunnen
volstaan
met een uitgebreide verbouwing waarbij het woongedeelte werd vergroot
en nieuwe
moderne stallen, varkenskotten, opslagplaatsen en schuren werden
gebouwd. Er
werden putten geslagen of overdekte waterreservoirs gebouwd voor
drinkwater en
vijvers aangelegd om ook de koeien en schapen van water te voorzien.
Spoedig
stond er ook op iedere boerderij een modern fornuis naast de oude haard
met
zijn enorme schoorsteen, waarnaast il nonno – grootvader
– op koude
winteravonden zijn oude botten warmde, soms met een broedse hen in een
mandje
als gezelschap. Er werden badkamers geïnstalleerd en moderne
toiletten, en
geleidelijk aan werd iedere boerderij voorzien van elektriciteit,
waarna radio
en televisie volgden. De eerste en meest belangrijke verandering was
echter het
aantal hectares dat door iedere boerderij werd bewerkt. Nadat wij het
aantal
boerderijen hadden uitgebreid van 25 naar 57, had iedere boerderij nog
maar
35 à 45
hectare te bewerken in plaats
van meer dan 90, waardoor de beschikbare grond intensiever bebouwd kon
worden.
Een groot deel van het nieuwe land werd ingezaaid met tarwe,
maïs en
verschillende soorten klaver, er werden zo’n 6200 jonge
olijfbomen geplant, de
wijngaarden werden uitgebreid totdat ze zo’n 90 hectare
besloegen, en de
kwaliteit van de wijn, zowel van de witte als de rode, werd sterk
verbeterd.
Er was ook grote
behoefte aan scholen, want zo’n tachtig
procent van de bevolking kon lezen noch schrijven. Wij hadden
onmiddellijk een
paar avondcursussen voor volwassenen georganiseerd en de kinderen in
een betere
ruimte ondergebracht. Nu had het consorzio echter drie nieuwe scholen
gebouwd,
een op La Foce en twee in het dal. In het begin werden deze scholen
geleid
volgens de progressieve lijn van de plattelandsscholen in het gebied
rond Rome,
de agro Romano (‘Romeinse akker’). Iedere school
had zijn eigen tuin en akker, zodat
de lessen goed aansloten bij het toekomstige bestaan op het land. Later
werden
de scholen echter overgenomen door het rijk, en tegenwoordig zijn het
heel
gewone scholen. Het was een genot om te zien hoe trots de kinderen
waren op hun
nieuwe klaslokalen. De muren van de nieuwe school op La Foce waren in
vrolijke
kleuren geschilderd en versierd met platen en kaarten, en ik herinner
mij nog
hoe de kinderen bij de opening van de school uit eigen beweging bij het
binnengaan
hun modderige schoenen uittrokken, zodat zij de glanzende vloer niet
vies
zouden maken. (Wij zorgden toen voor warme pantoffels die zij binnen
konden
dragen.) We bouwden ook drie kleuterschooltjes met speelplaatsen
– twee in de dorpen
in het dal, en een bij La Foce. Het schooltje bij La Foce deed tijdens
de
oorlog dienst als opvanghuis voor kinderen uit Genua en Turijn die uit
hun
huizen gebombardeerd waren. (Dit was de Casa dei Bambini dat beschreven
wordt
in Oorlog in Val d'Orcia.)
De scholen werden
gevolgd door een clubhuis voor de mannen,
met ernaast een sportvelden en een winkel, en in 1933 bouwden wij ter
nagedachtenis aan onze zoon Gianni die een jaar daarvoor was overleden,
een
klein gezondheidscentrum, een voorziening die de streek dringend nodig
had. Het
had een operatiekamer, sterilisatieapparatuur, vier bedden voor
noodgevallen,
een kleine voorraad babyvoedsel en onmisbare medicijnen, plus een
woonruimte
voor een districtsverpleegster. Twee maal per week kwam de
ziekenfondsarts uit
het drie kilometer verderop gelegen Chianciano, en al snel zat iedere
keer zijn
wachtkamer helemaal vol. De verpleegster hield ook toezicht op de
gezondheid
van de schoolkinderen, maar het nuttigst waren haar bezoeken aan de
boerderijen. Vaak wist zij door tijdig te waarschuwingen een epidemie
te
voorkomen. Zij gaf injecties, deed soms (maar niet vaak) de ramen open,
haalde
jonge moeders over hun baby's in een kleine wieg of mand te doen in
plaats van
ze midden in het grote dubbele bed te laten slapen, hielp bij moeilijke
bevallingen
als de vroedvrouw of de dokter te laat kwam, en bracht zoveel mogelijk
verlichting als er iemand op sterven lag. Ook de bedden van het
ambulatorio
werden goed gebruikt – door mensen die een ongeluk hadden
gehad, moeders die op
het punt stonden te bevallen, kinderen die herstellende waren
– en naast haar
zorg voor deze patiënten hield de verpleegster zich in het
ambulatorio bezig
met elementaire cursussen in hygiëne voor meisjes en jonge
moeders. Wij konden
toen uiteraard nog niet voorzien dat het ambulatorio later, tijdens de
oorlog,
nog een andere functie zou krijgen: bij een van de partizanen werd hier
een
kogel verwijderd, een ander werd opgenomen met tuberculose en werd hier
in de
laatste weken van zijn leven verpleegd, en toen er onder de partizanen
die zich
in de heuvels schuilhielden een epidemie van virale longontsteking was
uitgebroken, bezocht signorina Guidetti hen 's nachts heimelijk om hen
te
verplegen.
Tegen de tijd dat
al deze gebouwen klaar waren, in 1934,
waren wij tien jaar op La Foce: het was ons thuis geworden. In de loop
van die
jaren was onze financiële positie plotseling sterk verbeterd
door het
overlijden van een verre Amerikaanse neef. Ik had hem nooit ontmoet, en
hij was
altijd aangeduid als een excentrieke oude vrek die in het buitenland
was gaan
wonen ‘om zijn familie dwars te zitten’. Zijn
laatste jaren had hij
doorgebracht op een jacht voor de kust van het Isle of Wight, waar hij
– zo
gaat het verhaal – zich vermaakte met het gooien van
roodgloeiende koperen muntjes
naar bezorgde familieleden die het waagden hem een bezoek te brengen.
Niettemin
begaf hij zich tweemaal per jaar naar Londen om een bezoek te brengen
aan zijn
agent. Dat waren geen zinloze bezoekjes, want de som geld die
uiteindelijk werd
verdeeld onder zijn nog levende neven en nichten was zeer substantieel
en
stelde ons in staat al het werk dat ik hierboven heb beschreven veel
sneller en
grondiger uit te voeren dan anders mogelijk geweest zou zijn.
Toch ben ik
blij
dat wij niet meteen over dit geld konden
beschikken en dat wij in de eerste jaren van ons huwelijk iedere cent
hebben
moeten omdraaien en persoonlijke offers hebben moeten brengen. Niet
alleen
heeft dat ons voor vele vergissingen behoed, het gaf aan onze
inspanningen ook
een zekere basale realiteit. En al op de avond dat het
goede nieuws bereikte, voorvoelden wij wat
een enorme verandering dit betekende. Antonio en ik maakten een
wandelingetje
onder de pergola aan het einde van de werkdag en bespraken of hij mij
voor mijn
verjaardag wel of niet de mooie maar dure paraplu zou geven die ik in
een
winkel in Florence had gezien. Ik wees erop dat het een buitensporige
uitgave
zou zijn, omdat ik de paraplu zeker zou verliezen; hij wierp tegen dat
ik
daardoor misschien zou leren beter op mijn spullen te letten. Er werd
een einde
gemaakt aan de discussie door de komst van het telegram. Nadat wij het
hadden
gelezen en de inhoud tot ons hadden laten doordringen, zei Antonio met
oprechte
spijt in zijn stem: ‘Ik denk niet dan we ooit nog zullen
wikken en wegen over
het kopen van een paraplu!’
|