TAALBUREAU TEKST EN CULTUUR




       werkzaamheden

welkom       wie ben ik       aanbieding       tarieven       referenties       contact      links
















►    redactie

  schrijven

  vertalingen        uit het       op het gebied van







Omslag Een vrouwenleven












Voorgevel La Foce










Iris Origo, Images and Shadows ('Een vrouwenleven') Utrecht, Het Spectrum, 1999



Iris Origo is het meest bekend geworden met The Merchant of Prato, een reconstructie van het dagelijks leven van een veertiende-eeuwse koopman uit de buurt van Florence op basis van zijn bewaard gebleven  administratie.

Images and Shadows is de autobiografie van deze begaafde Britse schrijfster, wier jeugd zich afspeelde in drie uiteenlopende werelden. Zij verbleef als kind lange tijd afwisselend bij haar Amerikaanse grootouders op een landgoed in Long Island en bij haar Britse grootouders op een buiten in Ierland, en woonde later samen met haar moeder in de befaamde Villa Medici in Fiesole. Hun huis was in het voor-oorlogse Florence een centrum van de artistieke en kosmopolitische elite.

Iris nam zich voor zelf een heel andere inhoud aan haar leven te geven dan haar moeder. In 1923 kocht zij samen met haar verloofde de Italiaanse graaf Antonio Origo het zwaar verwaarloosde landgoed La Foce, om te proberen dat samen weer tot bloei te brengen. In de passage hieronder is beschreven hoe hen dat met vallen en opstaan is gelukt.


Uit hoofdstuk 9 La Foce

Zevenenveertig jaar geleden, op een winderige oktobermiddag in 1923, zagen wij Val d'Orcia en het huis dat ons thuis zou worden voor het eerst. Ons huwelijk stond voor de deur, en al wekenlang hadden we te koop staande landgoederen bekeken in verschillende streken van  Toscane, maar tot dan toe hadden we niets gezien dat aan onze wensen beantwoordde. We wisten heel goed wat wij zochten: er moest genoeg werk te doen zijn om er ons hele leven mee te vullen, maar we hoopten ook dat het ook een mooie omgeving zou zijn. Zelf dacht ik aan een van die villa´s uit de veertiende of vijftiende eeuw die destijds evenzeer deel uitmaakten van het Toscaanse landschap als de heuvels waarop zij gebouwd waren of de lange, met cipressen omzoomde lanen die er naartoe leidden: villa's met een strenge façade die alleen onderbroken werd door een diepe loggia, met hoge gewelfde kamers in perfecte proporties, grote stenen kachels, misschien een kleine binnenplaats met een bron, en een tuin met een fontein en overgroeid door buxushagen. (Er zijn nog steeds veel van dergelijke huizen, die nu leegstaan en in vervallen staat verkeren.) Wat ik mij niet had gerealiseerd, was dat dergelijke huizen alleen stonden op land dat al eeuwen geleden in cultuur was gebracht, en waar op de hellingen terrassen waren aangelegd die beplant waren met olijfbomen en waar de wijnstruiken reeds in de dagen van de Decamerone vrucht hadden gedragen. Als wij zo'n landgoed zouden kopen, dan zouden we niet zo veel meer te doen hebben; we zouden het eigenlijke werk overlaten aan onze fattore en alleen af ten toe oogje hoeven houden op wat er gedaan werd, zoals het altijd was gegaan. En dat was niet wat wij wilden.

Uiteindelijk stond er nog één landgoed op ons lijstje. Het was zo’n 1.500 hectare groot en de grond was zeer arm, zo was ons verteld. Het lag in het zuiden van de provincie Siena, zo’n acht kilometer van een nieuwe bron die bij Chianciano ontsprong. Van daaruit reden wij over een hobbelige, slingerende weg naar boven, waarbij we op een doorwaadbare plaats een stroompje moesten oversteken. We kwamen langs enkele weinig goeds belovende boerderijen, en omgeven door het kreupelhout reden we via een steil karrenspoor almaar verder de heuvel op, in de hoop dat we vanaf de top het hele landgoed zouden kunnen overzien. De weg was niet meer dan een ruw karrenspoor, en we dachten niet dat er ooit eerder een auto overheen was gereden. De bossen aan weerszijden van de weg waren gekapt of verwaarloosd. Hoger en hoger klommen wij, en het hart zonk ons steeds meer in de schoenen. Plotseling waren we bij de top en stonden we op een kale, winderige hoogvlakte, met de Val d'Orcia aan onze voeten.

Het was een brede vallei, maar in die dagen bood het geen verwelkomende groene aanblik, geen veelbelovende vruchtbare velden. Door de kronkelende rivierbedding liep slechts een klein stroompje water, en door een met stenen bezaaide woestenij zochten enkele muilezels hun weg. De uitlopers van de lage, kale kleiheuvels – de crese senesi – vormden de waterscheidingen die het landschap in een aantal kleine en verdroogde diepe valleien verdeelde. Er waren geen bomen, alleen enkele bremstruiken, en de gecorrodeerde bergruggen vormden een bleek en onmenselijk maanlandschap. Die herfstavond was het met zijn bleke gloed even fascinerend als een woestijnlandschap. Meer naar het zuiden tekenden zich tegen de lucht de vierkante toren van Radicofani en de zwarte keileembergen af – een geduchte barrière tegen indringers, zoals vele vijanden hadden ondervonden. Het meest werden onze ogen echter naar het westen getrokken: naar de top van de grote dode vulkaan die, net als de Fuji Jama, het hele landschap domineerde en in het niet deed verzinken. Monte Amiata, zoals de berg heette, leek te zijn geschapen op een ruimere, meer majestueuze schaal dan de omringende heuvels en dalen.

De geschiedenis van het gebied gaat zeer ver terug. Er waren reeds Etruskische dorpen met graven en geneeskrachtige bronnen in de vijfde eeuw voor Christus. De kastanjebossen op Monte Amiata hadden tijdens de tweede Punische oorlog het hout verschaft voor de Romeinse galeien, terwijl van de achtste tot de elfde eeuw zowel de Lombarden als de Karolingers hun sporen hadden achtergelaten in de prachtige Benedictijnse abdij van San Antimo en de Abbadia San Salvatore, in de pieve van San Quirico d'Orcia en in ontelbare kleine Romaanse kerkjes en kapelletjes – waarvan sommige nog steeds in gebruik zijn. De slingerende weg die wij aan de overkant van het dal nog net konden zien, volgde nog steeds min of meer de beroemde middeleeuwse pelgrimsroutes naar Rome, de via francigena, die deze verlaten vallei verbond met de rest van het christelijke Europa. Toen kwam de tijd van de kastelenbouw, van gewelddadige en strijdlustige edelen – met name de Aldobrandeschi: de graven van Santa Fiora, die zich erop beroemden zoveel kastelen te bezitten dat zij nooit tweemaal in hetzelfde hoefden te slapen – en die aan Val d'Orcia de halve ruïnes van torens, forten en verdedigingsmuren hebben nagelaten die wij nu vanaf ons uitzichtpunt op bijna iedere heuveltop zagen liggen. Net voorbij het dal lag Pienza, één van de mooiste Renaissancesteden, de schepping van die wereldlijke, en met bijtend sarcasme schrijvende Aeneas Silvius Piccolomini, paus Pius II, de eerste Italiaan die evenveel waardering had voor kunstwerken als voor de werken van de natuur, en die in hete zomers zijn kardinalen ontbood voor een conferentie in de kastanjebossen van Monte Amiata, ‘onder een of andere boom, bij het vriendelijke gekabbel van de bijeenkomst’.

Van dit alles wisten wij op dat moment natuurlijk nog niets, en nog minder konden wij voorzien hoe diezelfde bossen op Monte Amiata die, net die waar wij ons nu in bevonden, eeuwenlang een schuilplaats hadden geboden voor bannelingen en opgejaagden, ook gedurende ons leven een toevluchtsoord voor vluchtelingen zou zijn: dit keer voor anti-fascistische partizanen en voor geallieerde krijgsgevangenen. We wisten alleen dat dit weidse, eenzame, onverzoenlijke landschap ons fascineerde en aantrok. Leven in de schaduw van die mysterieuze berg, een halt toeroepen aan de erosie van die steile hellingen, deze naakte klei omvormen tot graanvelden, deze boerderijen herbouwen en zien hoe de bewoners weer tot voorspoed komen, deze verminkte bossen weer groen maken – dat was wat wij wilden.

Toen wij in de daaropvolgende dagen de situatie wat beter onderzochten, kwamen wij weer met beide benen op de grond. Het grootste deel van het landgoed bestond uit bos (meest dwergeik, hoewel er hoger op de heuvel ook een mooi beukenbos was) of armzalig gras. Slechts klein deel bestond uit goed bouwland, en zelfs daarvan was nog maar een fractie beplant met wijnstruiken of olijfboomgaarden, terwijl veel bruikbaar land nog steeds braak lag. Er stonden niet veel gebouwen: behalve de villa zelf en de centrale bedrijfsgebouwen er omheen, waren er over het landgoed verspreid 25 boerderijen. Sommige daarvan waren heel moeilijk bereikbaar en allemaal waren ze bouwvallig. Op ruim anderhalve kilometer meter van de villa lag een kasteel, Castelluccio Bifolchi genoemd. Van oorsprong was dit een Etruskische nederzetting die viel onder het Lucomonaat van Clusium (getuige de mooie Etruskische vazen die in de necropolis in de buurt van het kasteel zijn gevonden en die nu in het museum van Chiusi tentoongesteld zijn), maar de eerste vermelding ervan in de Middeleeuwen als ‘versterkte plaats’ dateert pas uit de tiende eeuw. Daarna horen we er niets meer over, totdat het in de zestiende eeuw een kleine rol speelt in de langdurige oorlog tussen Siena en Florence om het bezit van het Siënese grondgebeid – een oorlog die de Val d’Orcia langzamerhand degradeerde tot de vervallen staat en de eenzaamheid waarin wij het aantroffen. Siena werd in deze oorlog gesteund door de troepen van Karel V, en Florence door die van François I van Frankrijk. Paus Clemens VII (die een geheim bondgenootschap was aangegaan met de Fransen) baande zich op een dag via een secundaire weg vanuit Val d'Orcia naar Montepulciano, en toen hij bij het Castelluccio aankwam, uitte hij de wens daar de lunch te gebruiken. De eigenaar van het kasteel, een verstokt Ghibellijn, weigerde echter hem binnen te laten, zodat de paus, moe en hongerig als hij was, gedwongen was door te rijden naar Montepulciano’.

[...]

Wat betreft de villa zelf, men neemt aan dat die ooit dienst heeft gedaan als poststation op de route waarlangs ook paus Clemens was gereden, maar dat wordt nergens bevestigd. Het enige wat men zeker weet is dat in 1557 de landerijen, samen met die van het Castelluccio, overgingen in de handen van het Siënese ziekenhuis van Santa Maria della Scala, waarvan het wapen – een stenen ladder met daarop een kruis – nog te zien is op de villa en op de oudere boerderijen. Het huis zelf was nu niet bepaald de mooie villa waarop ik had gehoopt; het was meer een middelgroot, redelijk goed geproportioneerd landhuis. Het had een loggia op de begane grond, met rode bakstenen bogen en een façade waarin de ramen met hetzelfde materiaal waren ingemetseld. Binnen had het geen bijzonder karakter of aardige elementen. Een steile stenen trap leidde regelrecht naar een centrale, tamelijk donkere kamer die alleen verlicht werd door het licht dat door de rode en blauwe panelen van Victoriaans glas scheen. Via deze kamer kwam je in de kleinere kamers met bleek, verschoten behang. De deuren waren gemaakt van vurenhout, de vloeren werden gevormd door ruwe, veelal gebroken plavuizen, en in het hele huis hing een vochtige, stoffige geur van verval. Er was geen tuin, aangezien de bron alleen voldoende was voor de drinkwatervoorziening, en natuurlijk was er ook geen badkamer. Er was geen elektriciteit, geen centrale verwarming en geen telefoon.

Onder het huis waren diepe wijnkelders, met enorme eikenhouten vaten waarvan sommige wel zo’n 10.000 liter konden bevatten. Via een van de zijvleugels kwam je in de fattoria (het huis waar de rentmeester en zijn assistenten woonden). Even verder bevonden zich de wasserij, de graanschuur, de opslagplaats van het hout en de gebouwen waar de olijven geperst werden en de olie werd opgeslagen. Nog een stukje verderop waren de stallen en de werkplaatsen van de timmerman en de smid. De kleine donkere kamer die dienst deed als schooltje, bevond zich naast onze keuken. De ossenkarren die het graan, de wijn en de druiven van de her en der verstrooide boerderijen brachten, werden uitgeladen in de tuin. Zo vormden de villa en de fattoria volgens oude Toscaanse traditie één nauw verbonden klein universum.

Toen wij advies vroegen aan mensen uit onze kennissenkring die verstand hadden van het boerenbedrijf, moedigden die ons bepaald niet aan. Iets proberen te verbouwen in de Siënese crete, zo zeiden zij, was een lastige en frustrerende onderneming: wij zouden heel veel geduld en energie nodig hebben – en vooral veel kapitaal. Eerst moest de al eeuwen voortschrijdende bodemerosie tot staan worden gebracht, dan moesten wij ogenblikkelijk beginnen met herbebossing, wegenbouw en nieuwe aanplant. De bossen waren, zoals wij zelf ook al gezien hadden, meedogenloos en zonder enig roulatiesysteem gekapt, de olijfbomen waren slecht gesnoeid, de velden slecht geploegd of braakliggend en het vee was ondervoed. Dertig jaar lang was er zo goed als niets geïnvesteerd, niet in machines, niet in bemesting en evenmin in reparaties. De daken van de vervallen boerderijen lekten, de trappen waren weggerot, veel ramen waren gedicht met planken of dichtgestopt met lappen, en de door armoede getroffen families (die vaak uit meer dan twintig personen bestonden) zaten bijeen in de donkere en bedompte kamertjes. In een van die kamertjes troffen wij enkele maanden later een oude stervende man aan, die in een bed lag samen met een barende vrouw. Het kleine schooltje in de fattoria was in de winter voor veel kinderen onbereikbaar: de afstand was te groot en de wegen waren te slecht. In die periodes konden dus slechts enkele kinderen regelmatig naar school komen. De enige twee wegen – naar Chianciano en naar Montepulciano – kwamen samen bij ons huis (dat zich bevond op de waterscheiding tussen de Val d'Orcia en de Val di Chiana, waar ook de naam vandaan komt) en eindigden daar ook. De meer afgelegen boerderijen waren alleen bereikbaar over ruwe karrensporen, en als wij een poging wilden doen de productie op te voeren, dan zouden er op zijn minst tweemaal zoveel wegen moeten komen als er nu waren. Wij zouden subsidies nodig hebben van de overheid, en ook de medewerking van onze buren was onontbeerlijk. In een district waar de landeigenaren over het algemeen niet beschikten over kapitaal om te investeren en er bovendien maar weinig mensen waren die animo hadden voor nieuwe methoden, zou dat niet makkelijk zijn. Ook zouden wij zeker op tegenstand stuiten van de boeren zelf – die ongeletterd, koppig en wantrouwig waren en die net als alle plattelanders over de hele wereld vasthielden aan hun eigen methodes. Aan waarschuwingen geen gebrek dus. Was het onze moed, onze onwetendheid of gewoon onze jeugd, dat wij ze allemaal terzijde schoven? In november 1923, vijf dagen na onze eerste blik op Val d'Orcia, ondertekenden wij de koopakte van La Foce. In maart van het jaar daarop trouwden wij, en onmiddellijk na onze huwelijksreis keerden wij terug naar de Val d'Orcia om een begin te maken met ons nieuwe leven.

Hoe kan ik de smaak van onze eerste jaren in woorden vangen? Wanneer de plaats waar je woont je thuis is geworden, kun je het niet meer zien met de nieuwe ogen van toen. Langzaam, maar onvermijdelijk, raakt deze begintijd overdekt met het stof van het dagelijks leven, van de plannen, de complicaties en teleurstellingen. Toch zie ik zelfs nu soms nog een bepaalde lichtval of hoor ik een onverwacht geluid dat mij mee terugneemt naar die eerste verwachtingsvolle maanden, toen wij iedere dag wel iets, hoe klein ook, tot stand wisten te brengen, en toen ik ook in verwachting was van ons eerste kind.

Dat eerste jaar leerde ik wat ieder plattelandskind weet: hoe het is als je leven niet door een kunstmatige indeling wordt geregeld, maar door de natuurlijke gang van de seizoenen: in het vroege voorjaar wordt de grond geploegd, alvorens de maïs en de klaver in te zaaien; in maart en april worden de lammeren geboren en daarna wordt van de schapenmelk heerlijke kaas gemaakt, pecorino, een van de specialiteiten van dit gebied. Dat is deels te danken aan het feit dat in de weiden veel tijm groeit, dat hier timo sermillo of popolino wordt genoemd. (‘Chi vuol buono il caciolino’, zo luidt een volks gezegde, ‘mandi le pecore al sermolino.’ – Wie een lekker kaasje wil, moet zijn schapen naar de tijm brengen.’) Daarna, in mei, werd er gehooid, en in juni geoogst en gedorst; in oktober werd de wijn gemaakt, en in de herfst werd er weer geploegd en gezaaid. Tenslotte werden aan het eind van het boerenjaar de olijven verzameld waar vervolgens olie van werd gemaakt. Het weer werd iets om rekening mee te houden, niet vanwege je eigen gemak, maar vanwege de behoeftes van de boeren: een regenwolk werd gretig gevolgd op zijn tocht over de vallei, in de hoop dat hij zo vriendelijk zou zijn de regen te laten vallen – wat zelden gebeurde – die het graan zou doen zwellen en een tweede oogst van veevoer mogelijk zou maken voor de lange zomerdroogte. Beschadiging van de gewassen als gevolg van late nachtvorst in het voorjaar werd een bijna even grote bedreiging als de hete, droge zomerwind of als, nog erger, de zomerse hagelbuien die het graan platsloegen en de druiven kapot maakten. In herfst, na het zaaien, baden wij weer om vriendelijke zachte regentjes.

[...]

Zo’n halve eeuw later zijn mijn herinneringen misschien wat mooier dan het in werkelijkheid was, en ik moet eerlijk toegeven dat er ook momenten waren dat ik het niet meer zag zitten. Ik herinner mij hoe ik op een grijze herfstmiddag, na een rit op de rug van een grijs ezeltje voor een bezoek aan een veraf gelegen boerderij (want er waren op dat moment nog geen wegen naar het dal), alleen achterbleef in een enigszins beschutte holle plaats, terwijl Antonio en de fattore naar een andere boerderij liepen. Van waar ik zat leken de kegelvormige kleiheuvels zo steil en zo kaalgeslagen door de eeuwenlange erosie, dat zelfs nu nog geen poging is gedaan daar ook maar iets te verbouwen. Daar zat ik, naast een bremstruik – de enige plant die daar wilde groeien – op de grond die na de zomerdroogte net zo hard was als je botten – en volledig omringd door deze desolate heuvels: geen boom, geen plekje groen, geen spoor van menselijke bewoning, behalve de ruïne van een wachttoren die zich aftekende tegen de lucht op de plek waar wellicht ooit een Etruskische toren had gestaan, en daarna een Lombardische, die vervolgens in de Middeleeuwen herbouwd was om een rol te spelen in een serie triviale oorlogen, en die nu alleen nog maar bewoond werd door een onnozele schaapherder die aan de voet van de toren zijn haveloze kudde hoedde. Beneden mij lagen de velden aan de rivier – vruchtbaar land, dat nu echter nog braak lag en dat overstroomd zou worden als de rivier na de regens buiten haar oevers zou treden. Aan de horizon, achter de zwarte rotsen van Radicofani, pakten zich donkere stormwolken samen, en toen de wind het dal bereikte ontstonden er kleine wervelstormpjes van opgewaaid stof. Plotseling werd ik overvallen door een overweldigend verlangen naar het vriendelijke, goed verzorgde Florentijnse landschap van mijn jeugd, of naar de uitgestrekte groene velden en grote bomen van Engeland – en vooral naar een prettig huis met een tuin om ‘s avonds naar terug te keren. Het landschap hier was mij te vreemd, te onaards. Het was niet gebouwd op menselijke schaal, maar leek berekend op halfgoden en reuzen. Hoe zou het ooit door ons getemd kunnen worden, vroeg ik mij af, hoe zouden wij deze woestenij kunnen omvormen tot vruchtbaar land? Zou ons hele leven voorbijgaan in een strijd voor het onmogelijke?

[...]

Hoe bevredigend het resultaat van onze inspanningen uiteindelijk ook was, soms was het ook bijzonder frustrerend. De frustratie kwam ook voort uit de passieve weerstand van onze contadini tegen iedere vernieuwing (zoals onze raadgevers al hadden voorspeld). Ons land werd bewerkt volgens een systeem dat in Toscane gedurende zes eeuwen onveranderd was, de mezzadria – een contract waarbij de winst gedeeld werd: de landeigenaar bouwde en onderhield de huizen en kapitaal verschafte het kapitaal voor de aankoop van de veestapel, zaad, mest, machines, enzovoort, terwijl de pachter – mezzadro, colono of contadino genoemd – zijn eigen arbeid en die van zijn familie inbracht. Als de oogst was binnengehaald, werd de opbrengst gelijkelijk verdeeld tussen de landeigenaar en de pachter. In slechte jaren was het echter niet ongebruikelijk dat de landeigenaar de verliezen voor zijn rekening nam en de pachter het bedrag leende dat nodig was voor de aankoop van zaden, vee en mest. In betere jaren betaalde de pachter het geleende bedrag dan weer terug.

Op grotere landgoederen zoals La Foce, dat bestond uit een aantal boerderijen, was er meestal een centrale ‘hoofdboerderij’ de fattoria, die zich dan bevond naast het huis van de landeigenaar en van waaruit het bedrijf gerund werd. In de fattoria woonde de rentmeester, de fattore, met zijn gezin en zijn knechten. De eigenaar (of zijn fattore) stelde de wisselbouw vast: hij bepaalde wat er op iedere boerderij verbouwd zou worden, wat er aan vee gekocht moest worden, welke machines er aangeschaft dienden te worden en welke reparaties er zouden uitgevoerd. In het kantoor van de fattoria werden door de centrale administratie de ingewikkelde grootboeken bijgehouden, één voor elke boerderij, waarin het winstaandeel van de contadini en de uitgaven werden bijgehouden, alsmede de leningen die in slechte jaren aan hen waren verstrekt. In de graanschuren en de kelders van de fattoria  werd; de olie en de wijn werd er gemaakt; de boeren losten er hun ossenkarren, bespraken hun rekeningen en uitten er hun grieven en hun ongenoegens. Kortom, de fattoria was het hart van het landgoed, en alleen wie lang in Toscane heeft geleefd, begrijpt hoe dit langzame, altijd eendere systeem functioneert.

Van dergelijke dingen hadden wij in onze begintijd op La Foce nog geen weet. Wij togen zorgeloos aan het werk en voegden ons naar de gang van zaken. Alles schreeuwde erom gedaan te worden, en het liefst hadden wij alles tegelijk aangepakt. Voor mij ligt een lezing die mijn echtgenoot ooit heeft gehouden voor de Florentijnse landbouw-organisatie I Georgofili. Hij gaf bij die gelegenheid een beschrijving van de toestand zoals wij die bij onze aankomst aantroffen en somt het werk op dat volgens hem gedaan moest worden. De belangrijkste punten waren:

  1. De invoering van een achtjarig wisselbouwsysteem voor iedere boerderij
  2. Het graven, draineren en bouwen van dijken en dammen op de steile kleihellingen en van taluds in de rivier, zodat de zompige stukken land en land dat regelmatig onder water stond in cultuur gebracht kon worden
  3. Uitbreiding van de hoeveelheid landbouwgrond door de erosie op de hellingen tegen te gaan en op het braakliggende land de stenen en keien te verwijderen
  4. De bestaande boerderijen herbouwen en moderniseren, evenals de graanschuren, kelders, opslagplaatsen en de stallingen van de machines van de fattoria, alsmede vernieuwing van de hele machinerie voor de productie van olijfolie
  5. Uitbreiding van de olijfboomgaarden en de wijngaarden
  6. Nieuwe wegen aanleggen
  7. Nieuwe boerderijen bouwen
  8. De veestapel, bestaande uit runderen, schapen en varkens, uitbreiden en de kwaliteit ervan verbeteren, en voor dat doel ook het aantal hectares voor het verbouwen van alfalfa en klaver uitbreiden
  9. Het kappen van bomen opschorten voor een periode van tenminste acht jaar, om daarna een regelmatig rotatieschema van twaalf jaar op te zetten.
  10. Verbetering van de medische en onderwijsfaciliteiten

Het was een verstandig programma, maar de uitvoering ervan werd vertraagd door ons gebrek, niet alleen aan ervaring, maar ook aan kapitaal. Iedere cent die we hadden was opgegaan aan de aankoop van het landgoed, zodat het bedrag waar wij mee moesten werken enkel bestond uit de toelage van 5000 dollar per jaar van mijn grootmoeder. Daar begonnen we mee.

Wat mijzelf betreft, ik voelde mijzelf nog steeds een vreemde in deze nieuwe wereld, en het lukte mij niet zo goed mijn plaats te vinden. De mensen die op de fattoria woonden – de fattore en zijn vrouw en kinderen, zijn drie assistenten en de fattoressa, die gewoontegetrouw niet de vrouw was van de fattore maar iemand die kookte en bakte, de huishouding deed en toezicht hield op het erf – vormden een gesloten groep. Hun gebondenheid aan tradities en levenswijze – die al zo lang niet veranderd was dat zij ervan overtuigd waren dat alles bij het oude zou en moest blijven – maakte mij verlegen en vreemd voor de boerenvrouwen die op bepaalde feestdagen te voet of met de ossenkar van hun boerderijen kwamen om mij een paar krijsende fazanten of duiven of een dozijn eieren in handen te stoppen, wat vaak gepaard ging met een vloed van grieven en klachten, verhalen over zieke familieleden of verzoeken om hulp of goede raad. Maar wat voor raad kon ik hun geven, als ik zelf zo weinig wist? Niets van wat ik had geleerd op Villa Medici of I Tatti was mij hier van nut. Ik vraag mij af of ooit een pas getrouwde vrouw zo slecht was voorbereid op de specifieke taak die haar in haar nieuwe leven te wachten stond. Antonio moest mij vertellen dat het mijn taak was mij bezig te houden met de linnenkast van de fattoria en met het erf. Ik wist niet dat de stof voor de lakens om lang mee te gaan gemaakt moesten worden van een mengsel, hoe ruw ook, van linnen en vlas; ik wist niet dat een deel van de wol na gebleekt en gewassen te zijn ieder jaar opzij gelegd moest worden ten behoeve van nieuwe matrassen; ik kon geen leghornkip onderscheiden van een rhode island red. Ook lukte het mij de eerste jaren niet om net zo makkelijk als Antonio om te gaan met iedereen, of de subtiele hiërarchie te doorgronden tussen de fattore en zijn assistenten, de opzichters en de voormannen, de contadini en de dagarbeiders. Ik leerde iedere dag bij, maar nooit snel genoeg. Altijd voelde ik mij geremd en verlegen, en hoe meer ik mijn best deed vriendelijk te zijn, hoe gereserveerder ik overkwam. Ik vergezelde Antonio te voet of op de rug van een ezel van boerderij naar boerderij, en terwijl hij druk bezig was op de velden of in de stallen, ging ik het huis binnen en trachtte vriendschap te sluiten met de vrouwen en kinderen. Het was roeien tegen de stroom op. De vrouwen waren beleefd – en op hun hoede. Ze boden mij verse rauwe eieren te drinken aan, of een glaasje zoete zelfgemaakte likeur; ze lieten mij de schapenkaas zien die ze gemaakt hadden, hun meubels en hun kinderen. Ik wist echter niet de goede vragen te stellen, en ik vond het impertinent om commentaar te leveren op de manier waarop zij hun huishouden voerden, ook al werd dat volgens Antonio van mij verwacht. Ik kon de ene kaas niet van de andere onderscheiden, ik had geen idee of de baby mazelen had of waterpokken, en de enige keer dat ik probeerde een oude vrouw een injectie te geven tegen astma, brak de naald. De zorg voor de kinderen ging mij beter af, en toen de nieuw scholen geopend werden, bracht ik daar veel tijd door – ik speelde met de kinderen tijdens de pauzes, bekeek hun schriften, zorgde voor een kleine bibliotheek, bewonderde hun groentetuintjes en gaf kleine prijsjes aan het eind van het schooljaar – en via de kinderen leerde ik uiteindelijk ook de vrouwen wat beter kennen. Niettemin bleef het een zeer eenzijdig eenrichtingsverkeer, en altijd stond de structuur van de fattoria ertussen. Als een vrouw kwam vragen of haar kind naar het ziekenhuis gebracht kon worden, of de teil gerepareerd kon worden, dan moest dat verzoek gericht worden aan de fattore, en soms ontdekte ik dat regelrechte opdrachten van mij niet waren uitgevoerd. Ik denk nu dat de aanwezigheid en de invloed van deze tussenpersonen een fundamentele kwaal van het systeem van de mezzadria was. Zij waren strenger tegen de contadini dan de eigenaars, omdat zij zich er maar al te goed van bewust waren dat zij slechts één trede boven hen stonden, en vaak lieten zij de eigenaar in onwetendheid over zaken waarvan zij meenden dat het beter of wenselijk was als de padrone er niet van op de hoogte was. Wat ons betreft had Antonio het geluk, vooral in de latere jaren, verzekerd te zijn van een groep loyale medewerkers die goede vrienden zijn geworden, maar dat verandert niets aan mijn mening dat het systeem niet deugde, ook al was het misschien een onvermijdelijke consequentie van de hele structuur van de mezzadria. Ook de onrechtvaardigheid van de vermoeide en afgeleefde gezichten van vrouwen die maar even ouder waren dan ikzelf en het contrast tussen hun leven en het mijne zat mij vaak dwars, hoewel wij in die tijd zeker niet in grote luxe leefden. Een van de dingen waar ik nu het meeste spijt van heb, is dat ik mij door onervarenheid, verlegenheid en mijn andere belangen ertoe heb laten verleiden de weg van de minste weerstand te kiezen en die dingen te laten voor wat ze waren.

Antonio, die makkelijker, hartelijker en taaier was en voor wie de wereld om hem heen heel vanzelfsprekend was, liet zich nergens van afhouden. En het lot was ons gunstig gezind, omdat net in die tijd de nieuwe wetten van de fascistische regering van kracht werden die tot doel hadden de onontwikkelde gebieden in Italië productiever te maken. Het programma – de bonifica agraria – voorzag in geleide ontwikkeling (die soms leidde tot beslaglegging op het landgoed, met name op de vele grote verwaarloosde landgoederen in het zuiden, de latifondi, waarvan de afwezige landheren hun beklagenswaardige arbeiders soms zelfs verboden een verblijfplaats te bouwen die meer was dan een rieten hut, teneinde te voorkomen dat zij ‘bezettersrechten’ zouden kunnen doen gelden), en verder in de financiering van grootschalige openbare werken ter bestrijding van de landerosie,  het aanmoedigen van drooglegging en irrigatie, de aanleg van nieuwe wegen en scholen, en vervolgens in grote staatssubsidies en -leningen tegen lage rente teneinde actieve landeigenaren in staat te stellen de productie op te voeren en de levensstandaard van de pachters te verbeteren. Deze ‘slag om het graan’ – die gepaard ging met een behoorlijke dosis retorica aangezien het deel uitmaakte van Mussolini’s ‘autarkiebeleid’ als antwoord op internationale economische sancties – begon met het droogleggen van de Pontijnse moerassen, het in cultuur brengen van de vlakten van de Toscaanse Maremma (waar kleine stukjes grond werden toegewezen aan oorlogsveteranen, net als in de dagen van het oude Rome) en een campagne om de malaria op Sardinië uit te roeien.

In regio’s als de onze waar beslaglegging niet nodig was, organiseerden de landeigenaren zich in de zogenaamde consorzi di bonifica die werden ondersteund met staatssubsidies. Nadat Antonio erin was geslaagd (ondanks de tegenstand van enkele buren) ook in de Val d'Orcia zo’n consortium op te richten, begon onze samenwerking met enkele mannen die het beste van het fascisme vertegenwoordigden: de belangrijkste initiator van de leggi di bonifica professor Arrigo Serpieri, een zeer deskundig en bovendien bijzondere aardige man, en verder een aantal goede technische experts die zich lieten inspireren door hun kritiekloze acceptatie van de fascistische slogans, maar ook door een oprecht enthousiasme voor hun werk. Het consortium van de Val d'Orcia werd opgericht in 1930 en Antonio bleef meer dan dertig jaar lang voorzitter en gangmaker. Er werd een kantoor geopend in Montepulciano, een efficiënte ingenieur in dienst genomen, en er werden plannen op papier gezet voor de hele vallei, van S. Quirico tot Radicofani, die ter goedkeuring werden voorgelegd aan de regering. De staat financierde twintig tot honderd procent van de benodigde fondsen, afhankelijk van de aard van de projecten, terwijl de landeigenaren het ontbrekende deel aanvulden, naar rato van de grootte van hun land – en van hun bereidheid.

Een van de meest dringende taken was de erosie op de steile kleiheuvels te stoppen. Voor dat doel had Antonio zo’n 25 stenen of aarden wallen gebouwd in beken of greppels, waardoor landverschuivingen werden tegengegaan. Tegelijkertijd waren er in de rivierbedding vooruitstekende stroomdammen gebouwd in de vorm van brede gemetselde muren die het mogelijk maakten om de loop van de Orcia te leiden, teneinde te voorkomen dat de omliggende velden zouden onderlopen. Het water uit de hogere heuvels werd naar het braakliggende land gekanaliseerd, waar het vier of vijf jaar de tijd kreeg om geleidelijk een nieuwe, rijke bodemlaag te creëren, waardoor nog eens 75 hectare vruchtbaar land in cultuur gebracht kon worden. Ook werden er artesische putten gegraven onder leiding van waterzoekers die met een wichelroede vaak konden voorspellen waar water gevonden kon worden en zelfs hoe diep het zat en hoeveel er was. (Dit is een veel vaker voorkomende gave dan over het algemeen wordt aangenomen, en ik was helemaal opgetogen toen ik voelde hoe ook in mijn handen de wichelroede begon te trillen wanneer ik over een waterbron liep.)

Even urgent was het herbebossingsprogramma. Hiervoor kregen wij financiële en technische hulp van het Rijksdepartement van Bosbouw. Er werden twee grote kwekerijen voor jonge aanplant ingericht, en van de hellingen en de ravijnen werd zo’n 250 hectare beplant met zaailingen of jonge boompjes (meest eiken, pijnbomen en cipressen). Tegenwoordig zijn de meeste van deze stukken land overdekt met groene bossen.

Daarna waren de wegen aan de beurt. Ten tijde van onze komst op La Foce eindigde de enige goede weg bij ons huis, en veel van de verafgelegen boerderijen konden alleen bereikt worden over ruwe karrensporen die bij slecht weer nauwelijks begaanbaar waren. (Ik herinner mij maar al te goed hoe de plaatselijke dokter – een oude man – een door difterie getroffen kind trachtte te bereiken, rechtop gezeten op een stoel in de kar, gekleed in zijn donkere pak, terwijl de ossen door de diepe modder ploeterden en opgejaagd werden door de angstige vader.) Eerst moesten de bestaande wegen worden verbeterd of verlengd. Daarna – toen er na de aankoop van het Castelluccio een flink stuk land bij was gekomen – moesten er nieuwe wegen gebouwd worden om de geïsoleerde boerderijen met de rest van het bedrijf te verbinden.

Het enthousiasme waarmee deze hele onderneming gepaard ging, is moeilijk in woorden te vangen. Hier werd de aarde benut die eeuwenlang braak had gelegen, maar voordat de ploeg aan het werk kon gaan, moesten de enorme keien worden opgegraven en verwijderd, evenals de wortels van oude bomen. Ook moest het land worden gestabiliseerd met diepe greppels voor de afvoer van overtollig water en met nieuwe dijken en dammen. Dit karwei nam vele maanden in beslag, maar als wij eenmaal een nieuw stuk weg voor ons zagen liggen, of de tractor eindelijk de grote klompen glanzend nieuwe donkere klei kon gaan omspitten, overviel ons een gevoel van diepe tevredenheid en vervulling. Iets soortgelijks moeten pioniers in een nieuw land hebben ervaren als voor hun ogen de woestijn veranderde in hun eigen beloofde land. In 1940, net voor de oorlog, waren er op ons land nieuwe wegen aangelegd met een totale lengte van 9 kilometer, terwijl het consorzio di bonifica in het hele district zo’n 15 kilometer aan doorgaande wegen had gebouwd. Al deze wegen werden overschaduwd door een haag van populieren in het dal en door cipressen en pijnbomen langs de hoger gelegen wegen. Iedere boer kon nu zijn producten naar de markt brengen, en ieder kind kon naar school.

Na de wegen kwamen de boerderijen zelf aan de beurt. Ik heb al eerder beschreven in wat voor staat die verkeerden bij onze aankomst: sommige moesten helemaal worden afgebroken en van de grond af weer worden opgebouwd, van andere waren de funderingen goed genoeg om te kunnen volstaan met een uitgebreide verbouwing waarbij het woongedeelte werd vergroot en nieuwe moderne stallen, varkenskotten, opslagplaatsen en schuren werden gebouwd. Er werden putten geslagen of overdekte waterreservoirs gebouwd voor drinkwater en vijvers aangelegd om ook de koeien en schapen van water te voorzien. Spoedig stond er ook op iedere boerderij een modern fornuis naast de oude haard met zijn enorme schoorsteen, waarnaast il nonno – grootvader – op koude winteravonden zijn oude botten warmde, soms met een broedse hen in een mandje als gezelschap. Er werden badkamers geïnstalleerd en moderne toiletten, en geleidelijk aan werd iedere boerderij voorzien van elektriciteit, waarna radio en televisie volgden. De eerste en meest belangrijke verandering was echter het aantal hectares dat door iedere boerderij werd bewerkt. Nadat wij het aantal boerderijen hadden uitgebreid van 25 naar 57, had iedere boerderij nog maar 35  à 45 hectare te bewerken in plaats van meer dan 90, waardoor de beschikbare grond intensiever bebouwd kon worden. Een groot deel van het nieuwe land werd ingezaaid met tarwe, maïs en verschillende soorten klaver, er werden zo’n 6200 jonge olijfbomen geplant, de wijngaarden werden uitgebreid totdat ze zo’n 90 hectare besloegen, en de kwaliteit van de wijn, zowel van de witte als de rode, werd sterk verbeterd.

Er was ook grote behoefte aan scholen, want zo’n tachtig procent van de bevolking kon lezen noch schrijven. Wij hadden onmiddellijk een paar avondcursussen voor volwassenen georganiseerd en de kinderen in een betere ruimte ondergebracht. Nu had het consorzio echter drie nieuwe scholen gebouwd, een op La Foce en twee in het dal. In het begin werden deze scholen geleid volgens de progressieve lijn van de plattelandsscholen in het gebied rond Rome, de agro Romano (‘Romeinse akker’). Iedere school had zijn eigen tuin en akker, zodat de lessen goed aansloten bij het toekomstige bestaan op het land. Later werden de scholen echter overgenomen door het rijk, en tegenwoordig zijn het heel gewone scholen. Het was een genot om te zien hoe trots de kinderen waren op hun nieuwe klaslokalen. De muren van de nieuwe school op La Foce waren in vrolijke kleuren geschilderd en versierd met platen en kaarten, en ik herinner mij nog hoe de kinderen bij de opening van de school uit eigen beweging bij het binnengaan hun modderige schoenen uittrokken, zodat zij de glanzende vloer niet vies zouden maken. (Wij zorgden toen voor warme pantoffels die zij binnen konden dragen.) We bouwden ook drie kleuterschooltjes met speelplaatsen – twee in de dorpen in het dal, en een bij La Foce. Het schooltje bij La Foce deed tijdens de oorlog dienst als opvanghuis voor kinderen uit Genua en Turijn die uit hun huizen gebombardeerd waren. (Dit was de Casa dei Bambini dat beschreven wordt in Oorlog in Val d'Orcia.)

De scholen werden gevolgd door een clubhuis voor de mannen, met ernaast een sportvelden en een winkel, en in 1933 bouwden wij ter nagedachtenis aan onze zoon Gianni die een jaar daarvoor was overleden, een klein gezondheidscentrum, een voorziening die de streek dringend nodig had. Het had een operatiekamer, sterilisatieapparatuur, vier bedden voor noodgevallen, een kleine voorraad babyvoedsel en onmisbare medicijnen, plus een woonruimte voor een districtsverpleegster. Twee maal per week kwam de ziekenfondsarts uit het drie kilometer verderop gelegen Chianciano, en al snel zat iedere keer zijn wachtkamer helemaal vol. De verpleegster hield ook toezicht op de gezondheid van de schoolkinderen, maar het nuttigst waren haar bezoeken aan de boerderijen. Vaak wist zij door tijdig te waarschuwingen een epidemie te voorkomen. Zij gaf injecties, deed soms (maar niet vaak) de ramen open, haalde jonge moeders over hun baby's in een kleine wieg of mand te doen in plaats van ze midden in het grote dubbele bed te laten slapen, hielp bij moeilijke bevallingen als de vroedvrouw of de dokter te laat kwam, en bracht zoveel mogelijk verlichting als er iemand op sterven lag. Ook de bedden van het ambulatorio werden goed gebruikt – door mensen die een ongeluk hadden gehad, moeders die op het punt stonden te bevallen, kinderen die herstellende waren – en naast haar zorg voor deze patiënten hield de verpleegster zich in het ambulatorio bezig met elementaire cursussen in hygiëne voor meisjes en jonge moeders. Wij konden toen uiteraard nog niet voorzien dat het ambulatorio later, tijdens de oorlog, nog een andere functie zou krijgen: bij een van de partizanen werd hier een kogel verwijderd, een ander werd opgenomen met tuberculose en werd hier in de laatste weken van zijn leven verpleegd, en toen er onder de partizanen die zich in de heuvels schuilhielden een epidemie van virale longontsteking was uitgebroken, bezocht signorina Guidetti hen 's nachts heimelijk om hen te verplegen.

Tegen de tijd dat al deze gebouwen klaar waren, in 1934, waren wij tien jaar op La Foce: het was ons thuis geworden. In de loop van die jaren was onze financiële positie plotseling sterk verbeterd door het overlijden van een verre Amerikaanse neef. Ik had hem nooit ontmoet, en hij was altijd aangeduid als een excentrieke oude vrek die in het buitenland was gaan wonen ‘om zijn familie dwars te zitten’. Zijn laatste jaren had hij doorgebracht op een jacht voor de kust van het Isle of Wight, waar hij – zo gaat het verhaal – zich vermaakte met het gooien van roodgloeiende koperen muntjes naar bezorgde familieleden die het waagden hem een bezoek te brengen. Niettemin begaf hij zich tweemaal per jaar naar Londen om een bezoek te brengen aan zijn agent. Dat waren geen zinloze bezoekjes, want de som geld die uiteindelijk werd verdeeld onder zijn nog levende neven en nichten was zeer substantieel en stelde ons in staat al het werk dat ik hierboven heb beschreven veel sneller en grondiger uit te voeren dan anders mogelijk geweest zou zijn.

Toch ben ik blij dat wij niet meteen over dit geld konden beschikken en dat wij in de eerste jaren van ons huwelijk iedere cent hebben moeten omdraaien en persoonlijke offers hebben moeten brengen. Niet alleen heeft dat ons voor vele vergissingen behoed, het gaf aan onze inspanningen ook een zekere basale realiteit. En al op de avond dat het  goede nieuws bereikte, voorvoelden wij wat een enorme verandering dit betekende. Antonio en ik maakten een wandelingetje onder de pergola aan het einde van de werkdag en bespraken of hij mij voor mijn verjaardag wel of niet de mooie maar dure paraplu zou geven die ik in een winkel in Florence had gezien. Ik wees erop dat het een buitensporige uitgave zou zijn, omdat ik de paraplu zeker zou verliezen; hij wierp tegen dat ik daardoor misschien zou leren beter op mijn spullen te letten. Er werd een einde gemaakt aan de discussie door de komst van het telegram. Nadat wij het hadden gelezen en de inhoud tot ons hadden laten doordringen, zei Antonio met oprechte spijt in zijn stem: ‘Ik denk niet dan we ooit nog zullen wikken en wegen over het kopen van een paraplu!’