TAALBUREAU TEKST EN CULTUUR




       werkzaamheden

welkom       wie ben ik       aanbieding       tarieven       referenties       contact      links
















►    redactie

  schrijven

  vertalingen        uit het       op het gebied van








Rob Wegman, Overweldigd door muziek. De Middeleeuwse angst voor muzikale overweldiging


Vertaald voor het Festival Oude Muziek ten behoeve van het symposium ‘Liefde, seksualiteit en geweld in oude muziek’


Duivel in de muziek 

Het westen heeft altijd een ambivalente houding laten zien als het ging om muziek en seksualiteit. Waarschuwingen over de verderfelijke invloed van muziek – dat het de lust opwekt, verlies van zelfbeheersing teweegbrengt en zelfs tot gewelddadigheid kan leiden – zijn steeds opnieuw te horen geweest, sinds Plato en zijn Republiek tot op de dag van vandaag. Voor kerkelijke schrijvers in de Middeleeuwen waren de schuldigen meestal de minstrelen, jongleurs en andere rondtrekkende artiesten. Omdat zij een marginaal bestaan leidden, waren zij bijzonder kwetsbaar voor beschuldigingen als zouden zij een immoreel en misdadig leven leidden, dat hun liedjes en hun dansen zouden worden ingefluisterd door de duivel en dat in hun aantrekkingskracht duistere machten werkzaam zouden zijn.

Aan deze beschuldigingen lag uiteraard een angst ten grondslag, niet alleen voor vreemdelingen, buitenlanders en buitenstaanders, maar ook voor de muziek zelf. Muziek kon, zoals kerkelijke autoriteiten nooit moe werden te herhalen, op mensen een effect hebben waar het verstand geen vat op had en waar zij geen weerstand aan konden bieden. De muziek van onfatsoenlijke artiesten was het middeleeuwse equivalent van een bedwelmende drug die trance, bezetenheid of hysterie bij de luisteraars teweegbracht en op die manier tot eeuwige verdoemenis zou leiden. Dat is dan ook de reden dat muziek werd beschouwd als een instrument van de duivel. Deze opvatting werd door theologen en intellectuelen niet uitsluitend in theologische verhandelingen en officiële edicten uitgesproken, want muziek werd zo gevaarlijk geacht dat de middeleeuwse Kerk haar uiterste best heeft gedaan om alle gelovigen, ook het ongeletterde volk, voor dit gevaar te behoeden. Dit komt bijvoorbeeld naar voren in zogenaamde de handboeken voor de biecht –  werkjes die het gehele scala aan zonden opsommen waarover de gelovigen tijdens de biecht ondervraagd konden worden: Heb je herbergen en bordelen bezocht? Heb je plezier beleefd aan immorele liedjes? Heb je geluisterd naar rondreizende minstrelen en kunstenmakers? Even informatief zijn de overgeleverde verzamelingen van exempla – korte verhaaltjes ten behoeve van geestelijken die ze ter illustratie van hun zedelijke voorschriften in hun preken konden verwerken. Van deze exempla gaan er heel wat over muzikanten die hun luisteraars in een toestand van uitzinnige extase brachten, en die uiteindelijk bondgenoten van de duivel blijken te zijn met wie het (niet geheel onvoorspelbaar) slecht afloopt. Andere exempla vertellen het verhaal van Odysseus en de Sirenen, waarin uiteraard de onweerstaanbare macht van de muziek wordt verbeeld en bovendien een verband wordt gelegd tussen muziek en ongeoorloofde seksualiteit. Het is niet zo verrassend dat de alledaagse uitdrukking 'zingen als een Sirene' in de Middeleeuwen geen compliment was. Zo beschuldigt in de Roman de la Rose (een lang middeleeuws gedicht dat in 1270 werd voltooid) een jaloerse echtgenoot zijn vrouw ervan bordelen te hebben bezocht en daar met muziek andere mannen te hebben verleid. Angst voor seksualiteit en de verlokkingen van het vlees is een alomtegenwoordig Leitmotiv in deze overtuigingen. Alle kerkelijke autoriteiten waren het erover eens dat muziek ongeremde verlangens opriep, en dat was dan ook de belangrijkste reden dat men het bijzonder gevaarlijk achtte vrouwen te laten musiceren zonder toezicht van hun ouders, echtgenoten of meerderen. Deze angst nam soms extreme vormen aan. Er is een voorbeeld bekend van een Engelse kardinaal uit de elfde eeuw die de nonnen die onder hem vielen verbood om gregoriaans te zingen, en wel omdat de klanken in hun geest onreine gedachten zouden kunnen opwekken. In plaats daarvan moesten zij de gezangen stilzwijgend in hun hart zingen en zo het gehoor geheel en al uitschakelen. Voor deze kerkelijke functionarissen was muziek, net als voor Augustinus in zijn Bekentenissen, een noodzakelijk kwaad dat ten behoeve van de devotie moest worden getolereerd, vooropgesteld dat het meest gevaarlijke aspect ervan – de klank – geneutraliseerd werd of op zijn minst onder strikte controle werd gehouden.

Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk: wat kan er nu zo gevaarlijk zijn aan klank? We weten toch sinds de zeventiende eeuw dat klank een puur natuurwetenschappelijk verschijnsel is dat grotendeels bestaat uit variaties in luchtdruk? Voor ons heeft klank al lang zijn magie verloren, en het veronderstelde bovennatuurlijke vermogen ons te verleiden dat de mensen er in de Middeleeuwen aan toeschreven, heeft het in onze ogen niet meer. Als muziek op ons een krachtig effect heeft, als het ons tot in onze ziel ontroert, dan wijten wij dit meestal aan de begaafdheid en de bezieling van de componist, aan zijn of haar talent om de klank zodanig te organiseren dat die vanwege zijn artistieke kwaliteiten gewaardeerd kan worden. Om die kwaliteiten te kunnen onderscheiden moeten we tegenwoordig voorbij de klank luisteren, voorbij het akoestische oppervlak, tot in de structuur van het werk of tot in de geest van de componist. In de Middeleeuwen meende men echter dat klank op zich een inherente macht bezat. Klank werd dan ook absoluut niet beschouwd als een oppervlakte‑kwaliteit. Integendeel: de klank was de muziek. Het kon geestelijke of magische krachten overbrengen, je kon erdoor bedwelmd raken, het kon je in een trance brengen of, niet in de laatste plaats, de lust opwekken. En erger nog, klank werd beschouwd als gewelddadig, overdonderend en overweldigend. In een geliefde middeleeuwse metafoor werd het lichaam voorgesteld als een kasteel waarin de klank via de ramen, oftewel de oren, binnendrong en zo de persoon volledig kon overmeesteren, nog voordat die het zelfs maar in de gaten had! Dit was voldoende om het gewelddadige karakter van muziek te demonstreren: als muziek de menselijke rede tot zwijgen kon brengen en de vrije wil kon uitschakelen, moest het wel een gewelddadige kracht zijn.

Deze historische schets zou met talloze voorbeelden kunnen worden uitgebreid, en het onderzoek op dit terrein is in volle gang, met name in de Verenigde Staten. Waar we echter nog geen duidelijk antwoord op hebben is de volgende vraag: hoe is de ambivalentie ten aanzien van muziek in de loop van de geschiedenis veranderd en hoe heeft die ambivalentie zich ontwikkeld? In sommige periodes schijnt men relatief toegeeflijk te zijn geweest en lijken de veronderstelde gevaren van muziek op de achtergrond te zijn geraakt. De vijftiende eeuw is daarvan een goed voorbeeld, hoewel zelfs in deze periode gewelddadig verzet voorkwam tegen de vermeende immorele seksualiteit ervan. Het meest berucht is in dat opzicht het regime van Savonarola in Florence in de jaren 1490. Girolamo Savonarola, een hervormingsgezind Dominicaans predikant, slaagde erin vier jaar lang het bewind over Florence te voeren. In deze periode haalde hij de Florentijnse burgers over de muziek uit hun kapellen te weren en al hun muziekboeken en instrumenten in het openbaar op brandstapels te verbranden. Aangezien Savonarola muziek hardnekkig relateerde aan ongeremd verlangen, bevestigt dit voorbeeld dat het ongemakkelijke gevoel ten aanzien van muziek en seksualiteit zelfs in de vijftiende eeuw niet geheel en al verdwenen was, maar eerder latent was, in afwachting van moralisten en hervormers die het weer zouden oppakken. Dit is natuurlijk precies wat er gebeurde in de godsdienstconflicten van de daaropvolgende eeuw, in de tijd van de Reformatie en de Contrareformatie. Met name Puriteinen (aanhangers van het Engelse protestantisme) hebben herhaaldelijk gewaarschuwd voor de verlokkende en verzwakkende effecten van muziek en onderwierpen het gebruik ervan aan strenge beperkingen. Het is alsof we een slinger heen en weer zien bewegen: een meer toegeeflijke houding in sommige perioden, een minder tolerante in andere. De zeventiende eeuw is in dit opzicht bijzonder interessant. In deze periode zorgden met name in Engeland dichters en componisten voor een herleving en specifieke uitwerking van de conventionele analogie tussen muzikale ervaring en seksuele vereniging. Als deze analogie ons voorkomt als te vergezocht, is dat omdat de visie van zeventiende‑eeuwse mensen op seksuele vereniging even verschillend was van de onze als hun ideeën over de werking van muziek. In puur fysieke termen werd seksualiteit net als muziek gezien als gewelddadig en overweldigend. Aan de andere kant werd seksuele vereniging in zijn ideale vorm ook gezien als een geestelijke uitwisseling tussen man en vrouw. Met deze overeenkomsten – een lichamelijk en een geestelijk aspect in zowel muziek als seksualiteit – kon de ervaring van muziekbeluistering de analoge ervaring van een seksuele ontmoeting oproepen. De klanken van de muziek en de geest die daarbij werd overgedragen, drongen door in het lichaam van de luisteraar via de oren die als ramen dienden, en konden in potentie de ziel tot extase brengen. Voor deze extase gebruikte men bij voorkeur de term ‘ravishment’, en het is veelbetekenend dat die term ook gebruikt werd ter aanduiding van seksueel verkeer en mystieke vervoering. Wij kunnen ons misschien moeilijk vinden in deze zienswijze, en je kunt je afvragen welke waarde wij moeten hechten aan dergelijke ideeën die ooit evenzeer gemeengoed waren als onze eigen ideeën over muziek nu. Moeten wij ons nu echt bezighouden met deze verouderde overtuigingen, dit vreemde bijgeloof, deze schijnbaar tegen de intuïtie indruisende sentimenten? Waarom houden we ons niet gewoon bij de middeleeuwse en vroeg‑moderne composities zelf, om die zo authentiek mogelijk uit te voeren en de rest over te laten aan historici die zich daarin willen uitleven? We genieten van oude muziek: waarom zouden we dat plezier belasten met het achterhaalde geloofssysteem waarin die muziek zijn oorsprong heeft?

Dit is uiteraard een vraag die ieder van ons voor zich moet beantwoorden. Niemand, en de musicoloog al helemaal niet, heeft het recht andere mensen de vreugde te ontzeggen die zij beleven aan oude muziek. Maar als we dan toch meer willen weten over de geschiedenis en de maatschappij waarin de oude muziek bloeide, dan wordt onze beleving daarvan niet alleen belast, maar mogelijk ook verrijkt. De traditionele ambivalentie ten opzichte van muziek en seksualiteit duurt trouwens voort tot op de dag van vandaag (hoewel daar ook nu wel wat tegenin te brengen valt). We zijn dan wel niet langer met
middeleeuwse kerkelijke functionarissen of Puriteinse hervormers overtuigd van de verderfelijke macht van muziek, maar aan de andere kant is die macht precies het argument dat in onze eigen tijd wordt ingebracht tegen bepaalde soorten popmuziek en de veronderstelde schadelijke invloed daarvan op onze jongeren, of, zoals in de jaren 1920, tegen het rebelse karakter van jazz. Als muziekklanken niet meer zijn dan variaties in luchtdruk, als het slechts het trillen van lucht is zoals we tegenwoordig zeggen, waarom zou aan popmuziek of jazz dan zo’n extreme macht worden toegedicht? Waarom vond men het in 1950 in Amerika nodig om rock‑‘n‑rollplaten in publieke rituelen te vernietigen en te verbranden? Waarom geloven sommige mensen nog steeds dat blootstelling aan popmuziek het muzikale oordeel van jongeren en de ontwikkeling van hun smaak negatief beïnvloedt en een discutabele levensstijl aanmoedigt? Waarom worden sommige soorten muziek door veel luisteraars afgedaan als ruw en gewelddadig, en wordt andere muziek geprezen als onweerstaanbaar en overweldigend? Als muziek sterke en zelfs ongefundeerde reacties oproept, dan is er vaak iets anders aan de hand, niet alleen in de geschiedenis, maar misschien ook nu. Kan het iets te maken hebben met angst? Waar mensen bang voor zijn is misschien wel dit: wat als deze of gene muziek, hoe verwerpelijk ook, in wezen raakt aan iets diep in mij? Wat als ik mij zou overgeven aan dat appèl en misschien wel tot op zekere hoogte zou genieten van de muziek? Als een dergelijk genot tegen mijn natuur is, of althans tegen wat ik wil zien als het betere deel van mijn natuur, ja, dan zal ik die muziek als gewelddadig ervaren. Niet omdat de muziek op zich gewelddadig is, maar omdat het innerlijke conflicten onthult die wij liever zouden onderdrukken. En dus zijn wij vastbesloten weerstand te bieden. Deze vastberadenheid om ons te verzetten tegen sommige soorten muziek heeft zich in de westerse muziekgeschiedenis in verschillende vormen voorgedaan: in de veroordelingen door middeleeuwse kerkelijke functionarissen en Puriteinse hervormers niet minder dan in onze eigen reactie op muziek waarvan wij een heftige afkeer hebben. Paradoxaal genoeg zijn beide reacties een erkenning van de macht van muziek: als het ons onverschillig liet zou er immers geen enkele reden zijn om muziek te veroordelen of te weerstaan. In dat geval zou het zeker geen macht over ons uitoefenen. De grens tussen wat wij in muziek verafschuwen en waar wij van houden, lijkt dus niet zo scherp te zijn. Sommigen onder ons zijn wellicht volkomen gelukkig met zo’n grens en met het feit dat zij alleen luisteren naar de muziek die zij toevallig mooi vinden. Anderen willen misschien toch weten waarom er zo’n grens is, wat er ten grondslag ligt aan deze schijnbaar verdedigende opstelling, niet alleen in henzelf, maar ook in anderen. Als muziek ons niet onverschillig laat, wat spreekt ons dan aan in sommige composities, en wat is het dat wij mijden en vrezen in andere? Dat is een fundamentele vraag, want het raakt aan de basis van onze muzikale ervaringen. Een manier om met deze vraag om te gaan is de kwestie te bekijken in historisch perspectief. Het kan verhelderend zijn, en misschien zelfs verrijkend, om oude muziek te bezien als iets meer dan een geïsoleerd artefact uit het verleden, als iets meer dan een museumstuk dat in de concertzaal of op cd wordt gepresenteerd als ‘authentiek’. In plaats daarvan zouden we kunnen gaan inzien hoezeer die muziek verweven is geweest met thema’s waar wij tot op de dag van vandaag mee worstelen. Om met deze thema’s aan de gang te gaan is het niet nodig de feministische stellingen te onderschrijven, hoewel de feministes wel de eersten waren die deze thema’s aan de orde hebben gesteld. Het enige wat het van ons vraagt is wellicht de bereidheid om tot enige zelfkennis te komen, om op zijn minst in principe toe te geven dat oude muziek ook andere dimensies van onszelf zou kunnen aanspreken dan enkel het esthetische genoegen.

In dit artikel heb ik enkele redenen geschetst waarom een dergelijke onderneming de moeite waard zou kunnen zijn. Maar er zijn uiteraard nog andere redenen. De analogie tussen muzikale ervaring en seksuele vereniging mag dan in de zeventiende eeuw een elegant poëtisch instrument zijn geweest, op anderen kan het ook een behoorlijk verontrustend effect hebben, niet in het minst in onze eigen tijd. Sommige muziek komt op ons over als opzettelijk gewelddadig, beledigend en ontaard, waardoor wij ons er met ons hele wezen tegen willen verzetten. Sommigen ervaren dat bij Beethovens negende, anderen bij Wagner. Soms weet muziek onze gevoelens zo effectief te bespelen dat wij het om die reden alleen maar meer verafschuwen, en dat ervaren mensen soms bijvoorbeeld bij Puccini. Dergelijke muziek maakt ons vastbesloten niet toe te geven, ons niet te laten gaan, ons niet over te geven aan wat het in ons naar boven dreigt te brengen. Het kan handig zijn dit aan de muziek zelf te wijten en simpelweg te weigeren om te luisteren, net zoals Odysseus zijn metgezellen gebood hun oren dicht te stoppen. Maar het geweld dat wij horen, de hartstochten en de gevoelens die wij op een afstand houden, zetelen niet in de klank of in de compositie: zij zetelen in ons. De muziek doet niet meer dan het aanblazen van de sintels: het voedt de vlammen van ons innerlijk leven. Wie dit onder ogen ziet, ziet iets van zichzelf onder ogen, van de menselijke hoedanigheid, van de maatschappij, waar wij iedere dag omringd worden door liefde, seksualiteit en geweld – in de media, de bioscoop, op televisie, en niet in de laatste plaats in de populaire muziek. Voor velen mag oude muziek dan de ideale ontsnapping zijn aan de vulgaire realiteit, het kan ook een gelegenheid bieden daarmee in het reine te komen. Het doel van het symposium ‘Liefde, seksualiteit en geweld in oude muziek’ is manieren voor te stellen waarop dat gestalte zou kunnen krijgen, en te verkennen hoe wij met dit verontrustende aspect van ons muzikale verleden kunnen omgaan.