|
Het
westen heeft altijd een ambivalente houding laten zien als het ging om
muziek en seksualiteit. Waarschuwingen over de verderfelijke invloed
van muziek – dat het de lust opwekt, verlies van
zelfbeheersing
teweegbrengt en zelfs tot gewelddadigheid kan leiden – zijn
steeds opnieuw te horen geweest, sinds Plato en zijn Republiek tot op
de
dag van vandaag. Voor kerkelijke schrijvers in de Middeleeuwen waren de
schuldigen meestal de minstrelen, jongleurs en andere rondtrekkende
artiesten. Omdat zij een marginaal bestaan leidden, waren zij bijzonder
kwetsbaar voor beschuldigingen als zouden zij een immoreel en misdadig leven
leidden, dat hun liedjes en hun dansen zouden worden ingefluisterd door de
duivel en dat in hun aantrekkingskracht duistere machten werkzaam zouden zijn.
Aan
deze beschuldigingen lag uiteraard een angst ten grondslag, niet alleen
voor vreemdelingen, buitenlanders en buitenstaanders, maar ook voor de
muziek zelf. Muziek kon, zoals kerkelijke autoriteiten nooit moe werden te
herhalen, op mensen een effect hebben waar het verstand geen
vat op had en waar zij geen weerstand aan konden bieden. De muziek van
onfatsoenlijke artiesten was het middeleeuwse equivalent van een
bedwelmende drug die trance, bezetenheid of hysterie bij de luisteraars
teweegbracht en op die manier tot eeuwige verdoemenis zou leiden. Dat
is dan ook de reden dat muziek werd beschouwd als een instrument van de duivel.
Deze opvatting werd door theologen en intellectuelen niet uitsluitend
in theologische verhandelingen en officiële edicten
uitgesproken,
want muziek werd zo gevaarlijk geacht dat de middeleeuwse Kerk haar
uiterste best heeft gedaan om alle gelovigen, ook het ongeletterde
volk, voor dit gevaar te behoeden. Dit komt bijvoorbeeld naar voren in zogenaamde de handboeken voor de biecht –
werkjes die het gehele scala aan zonden
opsommen waarover de gelovigen tijdens de biecht ondervraagd konden
worden: Heb je herbergen en bordelen bezocht? Heb je plezier beleefd
aan immorele liedjes? Heb je geluisterd naar rondreizende minstrelen en
kunstenmakers? Even informatief zijn de overgeleverde verzamelingen van
exempla – korte verhaaltjes ten behoeve van geestelijken die ze
ter
illustratie van hun zedelijke voorschriften in hun preken konden
verwerken. Van deze exempla gaan er heel wat over muzikanten die hun
luisteraars in een
toestand van uitzinnige extase brachten, en die uiteindelijk
bondgenoten van de duivel blijken te zijn met wie het (niet geheel
onvoorspelbaar) slecht afloopt. Andere exempla vertellen het verhaal
van Odysseus en de Sirenen, waarin uiteraard de onweerstaanbare macht
van de muziek wordt verbeeld en bovendien een verband wordt gelegd
tussen muziek en ongeoorloofde seksualiteit. Het is niet zo verrassend
dat de alledaagse uitdrukking 'zingen als een Sirene' in de
Middeleeuwen geen compliment was. Zo beschuldigt in de Roman de la Rose
(een lang middeleeuws gedicht dat in 1270 werd voltooid) een jaloerse
echtgenoot zijn vrouw ervan bordelen te hebben bezocht en daar met
muziek andere mannen te hebben verleid. Angst voor seksualiteit en de
verlokkingen van het vlees is een alomtegenwoordig Leitmotiv in deze
overtuigingen. Alle kerkelijke autoriteiten waren het erover eens dat
muziek ongeremde verlangens opriep, en dat was dan ook de belangrijkste
reden dat men het bijzonder gevaarlijk achtte vrouwen te laten
musiceren zonder toezicht van hun ouders, echtgenoten of meerderen.
Deze angst nam soms extreme vormen aan. Er is een voorbeeld bekend van
een Engelse kardinaal uit de elfde eeuw die de nonnen die onder hem
vielen verbood om gregoriaans te zingen, en wel omdat de klanken in hun
geest onreine gedachten zouden kunnen opwekken. In plaats daarvan
moesten zij de gezangen stilzwijgend in hun hart zingen en zo het
gehoor geheel en al uitschakelen. Voor deze kerkelijke functionarissen
was muziek, net als voor Augustinus in zijn Bekentenissen, een
noodzakelijk kwaad dat ten behoeve van de devotie moest worden
getolereerd, vooropgesteld dat het meest gevaarlijke aspect ervan
– de klank – geneutraliseerd werd of op zijn minst
onder
strikte controle werd gehouden.
Een
voor de hand liggende vraag is natuurlijk: wat kan er nu zo gevaarlijk
zijn aan klank? We weten toch sinds de zeventiende eeuw dat klank een
puur natuurwetenschappelijk verschijnsel is dat grotendeels bestaat uit
variaties in luchtdruk? Voor ons heeft klank al lang zijn magie
verloren, en het veronderstelde bovennatuurlijke vermogen ons te verleiden dat de
mensen er in de Middeleeuwen aan toeschreven, heeft het in onze ogen niet
meer. Als muziek op ons een krachtig effect heeft, als het ons tot in
onze ziel ontroert, dan wijten wij dit meestal aan de begaafdheid en de
bezieling van de componist, aan zijn of haar talent om de klank zodanig
te organiseren dat die vanwege zijn artistieke kwaliteiten gewaardeerd
kan worden. Om die kwaliteiten te kunnen onderscheiden moeten we
tegenwoordig voorbij de klank luisteren, voorbij het akoestische
oppervlak, tot in de structuur van het werk of tot in de geest van de
componist. In de Middeleeuwen meende men echter dat klank op zich een
inherente macht bezat. Klank werd dan ook absoluut niet beschouwd als
een oppervlakte‑kwaliteit. Integendeel: de klank was de muziek. Het kon
geestelijke of magische krachten overbrengen, je kon erdoor bedwelmd
raken, het kon je in een trance brengen of, niet in de laatste plaats,
de lust opwekken. En erger nog, klank werd beschouwd als gewelddadig,
overdonderend en overweldigend. In een geliefde middeleeuwse metafoor
werd het lichaam voorgesteld als een kasteel waarin de klank via de
ramen, oftewel de oren, binnendrong en zo de persoon volledig kon
overmeesteren, nog voordat die het zelfs maar in de gaten had! Dit was
voldoende om het gewelddadige karakter van muziek te demonstreren: als
muziek de menselijke rede tot zwijgen kon brengen en de vrije wil kon
uitschakelen, moest het wel een gewelddadige kracht zijn.
Deze
historische schets zou met talloze voorbeelden kunnen worden
uitgebreid, en het onderzoek op dit terrein is in volle gang, met name
in de Verenigde Staten. Waar we echter nog geen duidelijk antwoord op
hebben is de volgende vraag: hoe is de ambivalentie ten aanzien van
muziek in de loop van de geschiedenis veranderd en hoe heeft die
ambivalentie zich ontwikkeld? In sommige periodes schijnt men relatief
toegeeflijk te zijn geweest en lijken de veronderstelde gevaren van
muziek op de achtergrond te zijn geraakt. De vijftiende eeuw is daarvan
een goed voorbeeld, hoewel zelfs in deze periode gewelddadig verzet
voorkwam tegen de vermeende immorele seksualiteit ervan. Het meest
berucht is in dat opzicht het regime van Savonarola in Florence in de
jaren 1490. Girolamo Savonarola, een hervormingsgezind Dominicaans
predikant, slaagde erin vier jaar lang het bewind over Florence te
voeren. In deze periode haalde hij de Florentijnse burgers over de
muziek uit hun kapellen te weren en al hun muziekboeken en instrumenten
in het openbaar op brandstapels te verbranden. Aangezien Savonarola
muziek hardnekkig relateerde aan ongeremd verlangen, bevestigt dit
voorbeeld dat het ongemakkelijke gevoel ten aanzien van muziek en
seksualiteit zelfs in de vijftiende eeuw niet geheel en al verdwenen
was, maar eerder latent was, in afwachting van moralisten en hervormers
die het weer zouden oppakken. Dit is natuurlijk precies wat er gebeurde
in de godsdienstconflicten van de daaropvolgende eeuw, in de tijd van
de Reformatie en de Contrareformatie. Met name Puriteinen (aanhangers
van het Engelse protestantisme) hebben herhaaldelijk gewaarschuwd voor
de verlokkende en verzwakkende effecten van muziek en onderwierpen het
gebruik ervan aan strenge beperkingen. Het is alsof we een slinger heen
en weer zien bewegen: een meer toegeeflijke houding in sommige
perioden, een minder tolerante in andere. De zeventiende eeuw is in dit
opzicht bijzonder interessant. In deze periode zorgden met name in
Engeland dichters en componisten voor een herleving en specifieke
uitwerking van de conventionele analogie tussen muzikale ervaring en
seksuele vereniging. Als deze analogie ons voorkomt als te vergezocht,
is dat omdat de visie van zeventiende‑eeuwse mensen op seksuele
vereniging even verschillend was van de onze als hun ideeën
over
de werking van muziek. In puur fysieke termen werd seksualiteit net als
muziek gezien als gewelddadig en overweldigend. Aan de andere kant werd
seksuele vereniging in zijn ideale vorm ook gezien als een geestelijke
uitwisseling tussen man en vrouw. Met deze overeenkomsten –
een
lichamelijk en een geestelijk aspect in zowel muziek als seksualiteit
– kon de ervaring van muziekbeluistering de
analoge ervaring van
een seksuele ontmoeting oproepen. De klanken van de muziek en de geest
die daarbij werd overgedragen, drongen door in het lichaam van de
luisteraar via de oren die als ramen dienden, en konden in potentie de
ziel tot extase brengen. Voor deze extase gebruikte men bij voorkeur de
term ‘ravishment’, en het is veelbetekenend dat die
term
ook gebruikt werd ter aanduiding van seksueel verkeer en mystieke
vervoering. Wij kunnen ons misschien moeilijk vinden in deze
zienswijze, en je kunt je afvragen welke waarde wij moeten hechten aan
dergelijke ideeën die ooit evenzeer gemeengoed waren als onze
eigen ideeën over muziek nu. Moeten wij ons nu echt
bezighouden
met deze verouderde overtuigingen, dit vreemde bijgeloof, deze
schijnbaar tegen de intuïtie indruisende sentimenten? Waarom
houden we ons niet gewoon bij de middeleeuwse en vroeg‑moderne
composities zelf, om die zo authentiek mogelijk uit te voeren en de
rest over te laten aan historici die zich daarin willen uitleven? We
genieten van oude muziek: waarom zouden we dat plezier belasten met het
achterhaalde geloofssysteem waarin die muziek zijn oorsprong heeft?
Dit
is uiteraard een vraag die ieder van ons voor zich moet beantwoorden.
Niemand, en de musicoloog al helemaal niet, heeft het recht andere
mensen de vreugde te ontzeggen die zij beleven aan oude muziek. Maar
als we dan toch meer willen weten over de geschiedenis en de
maatschappij waarin de oude muziek bloeide, dan wordt onze beleving
daarvan niet alleen belast, maar mogelijk ook verrijkt. De traditionele
ambivalentie ten opzichte van muziek en seksualiteit duurt trouwens
voort tot op de dag van vandaag (hoewel daar ook nu wel wat tegenin te
brengen valt). We zijn dan wel niet langer met middeleeuwse kerkelijke functionarissen
of Puriteinse hervormers
overtuigd van de verderfelijke macht van muziek, maar aan de
andere kant is die macht precies het argument dat in onze eigen tijd
wordt ingebracht tegen
bepaalde soorten popmuziek en de veronderstelde schadelijke invloed
daarvan op onze jongeren, of, zoals in de jaren 1920, tegen het rebelse
karakter van jazz. Als muziekklanken niet meer zijn dan variaties in
luchtdruk, als het slechts het trillen van lucht is zoals we
tegenwoordig zeggen, waarom zou aan popmuziek of jazz dan
zo’n
extreme macht worden toegedicht? Waarom vond men het in 1950 in Amerika
nodig om rock‑‘n‑rollplaten in publieke rituelen te
vernietigen
en te verbranden? Waarom geloven sommige mensen nog steeds dat
blootstelling aan popmuziek het muzikale oordeel van jongeren en de
ontwikkeling van hun smaak negatief beïnvloedt en een
discutabele
levensstijl aanmoedigt? Waarom worden sommige soorten muziek door veel
luisteraars afgedaan als ruw en gewelddadig, en wordt andere muziek
geprezen als onweerstaanbaar en overweldigend? Als muziek sterke en
zelfs ongefundeerde reacties oproept, dan is er vaak iets anders aan de
hand, niet alleen in de geschiedenis, maar misschien ook nu. Kan het
iets te maken hebben met angst? Waar mensen bang voor zijn is misschien
wel dit: wat als deze of gene muziek, hoe verwerpelijk ook, in wezen
raakt aan iets diep in mij? Wat als ik mij zou overgeven aan dat
appèl en misschien wel tot op zekere hoogte zou genieten van
de
muziek? Als een dergelijk genot tegen mijn natuur is, of althans tegen
wat ik wil zien als het betere deel van mijn natuur, ja, dan zal ik die
muziek als gewelddadig ervaren. Niet omdat de muziek op zich
gewelddadig is, maar omdat het innerlijke conflicten onthult die wij
liever zouden onderdrukken. En dus zijn wij vastbesloten weerstand te
bieden. Deze vastberadenheid om ons te verzetten tegen sommige soorten
muziek heeft zich in de westerse muziekgeschiedenis in verschillende
vormen voorgedaan: in de veroordelingen door middeleeuwse kerkelijke
functionarissen en Puriteinse hervormers niet minder dan in onze eigen
reactie op muziek waarvan wij een heftige afkeer hebben. Paradoxaal
genoeg zijn beide reacties een erkenning van de macht van muziek: als
het ons onverschillig liet zou er immers geen enkele reden zijn om
muziek te veroordelen of te weerstaan. In dat geval zou het zeker geen
macht over ons uitoefenen. De grens tussen wat wij in muziek
verafschuwen en waar wij van houden, lijkt dus niet zo scherp te zijn.
Sommigen onder ons zijn wellicht volkomen gelukkig met zo’n
grens
en met het feit dat zij alleen luisteren naar de muziek die zij
toevallig mooi vinden. Anderen willen misschien toch weten waarom er
zo’n grens is, wat er ten grondslag ligt aan deze schijnbaar
verdedigende opstelling, niet alleen in henzelf, maar ook in anderen.
Als muziek ons niet onverschillig laat, wat spreekt ons dan aan in
sommige composities, en wat is het dat wij mijden en vrezen in andere?
Dat is een fundamentele vraag, want het raakt aan de basis van onze
muzikale ervaringen. Een manier om met deze vraag om te gaan is de
kwestie te bekijken in historisch perspectief. Het kan verhelderend
zijn, en misschien zelfs verrijkend, om oude muziek te bezien als iets
meer dan een geïsoleerd artefact uit het verleden, als iets
meer
dan een museumstuk dat in de concertzaal of op cd wordt gepresenteerd
als ‘authentiek’. In plaats daarvan zouden we
kunnen gaan
inzien hoezeer die muziek verweven is geweest met thema’s
waar
wij tot op de dag van vandaag mee worstelen. Om met deze
thema’s
aan de gang te gaan is het niet nodig de feministische stellingen te
onderschrijven, hoewel de feministes wel de eersten waren die deze
thema’s aan de orde hebben gesteld. Het enige wat het van ons
vraagt is wellicht de bereidheid om tot enige zelfkennis te komen, om
op zijn minst in principe toe te geven dat oude muziek ook andere
dimensies van onszelf zou kunnen aanspreken dan enkel het esthetische
genoegen.
In
dit artikel heb ik enkele redenen geschetst waarom een dergelijke
onderneming de moeite waard zou kunnen zijn. Maar er zijn uiteraard nog
andere redenen. De analogie tussen muzikale ervaring en seksuele
vereniging mag dan in de zeventiende eeuw een elegant poëtisch
instrument zijn geweest, op anderen kan het ook een behoorlijk
verontrustend effect hebben, niet in het minst in onze eigen tijd.
Sommige muziek komt op ons over als opzettelijk gewelddadig, beledigend
en ontaard, waardoor wij ons er met ons hele wezen tegen willen
verzetten. Sommigen ervaren dat bij Beethovens negende, anderen bij
Wagner. Soms weet muziek onze gevoelens zo effectief te bespelen dat
wij het om die reden alleen maar meer verafschuwen, en dat ervaren
mensen soms bijvoorbeeld bij Puccini. Dergelijke muziek maakt ons
vastbesloten niet toe te geven, ons niet te laten gaan, ons niet over
te geven aan wat het in ons naar boven dreigt te brengen. Het kan
handig zijn dit aan de muziek zelf te wijten en simpelweg te weigeren
om te luisteren, net zoals Odysseus zijn metgezellen gebood hun oren
dicht te stoppen. Maar het geweld dat wij horen, de hartstochten en de
gevoelens die wij op een afstand houden, zetelen niet in de klank of in
de compositie: zij zetelen in ons. De muziek doet niet meer dan het
aanblazen van de sintels: het voedt de vlammen van ons innerlijk leven.
Wie dit onder ogen ziet, ziet iets van zichzelf onder ogen, van de
menselijke hoedanigheid, van de maatschappij, waar wij iedere dag
omringd worden door liefde, seksualiteit en geweld – in de
media,
de bioscoop, op televisie, en niet in de laatste plaats in de populaire
muziek. Voor velen mag oude muziek dan de ideale ontsnapping zijn aan
de vulgaire realiteit, het kan ook een gelegenheid bieden daarmee in
het reine te komen. Het doel van het symposium ‘Liefde,
seksualiteit en geweld in oude muziek’ is manieren voor te
stellen waarop dat gestalte zou kunnen krijgen, en te verkennen hoe wij
met dit verontrustende aspect van ons muzikale verleden kunnen omgaan.
|