 |
Onderstaand
artikel was bedoeld als programmatoelichting bij
een voorstelling in het Amsterdamse Muziektheater. Omdat het voor dat
doel aan de moeilijke kant was, heeft onderstaande vertaling met het
oog op de begrijpelijkheid tevens een lichte redactie ondergaan, hetzij
met een toelichting op gebruikte termen, hetzij door
een wat
minder complexe zinsbouw of wat extra uitleg.
José
Montalvo en Dominique Hervieu hebben zich sinds het
begin van de jaren 1990 gewaagd aan een nieuwe vorm van audiovisueel
theater: in
een vrij en vruchtbaar verbond van ideeën, inspanningen,
energie, vormen of
decor, choreografie en mise-en-scène, streven zij een haast
organische eenheid
na. De projecties van vooraf opgenomen stilstaande of bewegende beelden
op de
achterwand van het toneel vormen daarbij een achterplan als een venster
op de
wereld die daarmee naar binnen wordt gehaald, een ideaalscherm dus, een
visionair oppervlak.
Geschiedenis
Het concept van
een verruimd theater door combinatie van
elementen – woord, geluid, klankregie, kleuren, licht,
ruimtes, bewegingen,
ritmes, vormen – heeft een lange geschiedenis, waarvan we ons
voor deze
gelegenheid beperken tot het noemen van enkele mijlpalen. In 1915 stond
de
Italiaanse Futuristische beweging een ‘synthetisch
theater’ voor volgens een
gedematerialiseerd concept: een toneel van licht, met mobiele
structuren en
verschillend gekleurde gaslichtbundels. Vervolgens experimenteerde in
het postrevolutionaire
Rusland van de jaren 1920 Vsevolod Meyerhold met het levendige
‘theatraal
theater’ door projecties
(‘tekenreservoirs’) in het toneel te integreren. In
diezelfde
periode gebruikte de vernieuwende Duitse dramaturg Erwin Piscator voor
zijn
‘Totaltheater’ filmmomenten om het al te statische
van een theatervoorstelling
te doorbreken. Deze vormen van beeldtheater waarin gebruik werd gemaakt
van ‘multimediale
prototechnologie’ bleken een grote stimulans voor de
creativiteit en vormden
het begin van uiteenlopende experimenten met ‘verruimde
theatraliteit’. Na de
Tweede Wereldoorlog resulteerde dit in bijvoorbeeld het Gamme de sept
(1964)
van Jacques Polieri (een ‘ballet-spektakel’ waarbij
met behulp van het eerste
beeldprojectiesysteem, de eidophor, televisiebeelden op scherm werden
geprojecteerd), of het werk van Josef Svoboda aan het eind van de jaren
1950.
Montalvo en
Hervieu blijken niettemin duidelijk het meest
schatplichtig aan Dada: zij
mengen
installaties, dans, poëzie in een denkbeeldige taal, kostuums,
maskers en
uiteenlopende muziek en Afrikaanse ritmes tot geïmproviseerde
voorstellingen die
destijds in Zürich, Berlijn, Keulen of Parijs
‘dadaïstische cabaretavonden’
zouden zijn genoemd en die qua organisatievorm dicht bij het
‘turntablisme’
staan (de draaitafeltechniek van dj’s uit de techno, Electro
en hip hop).
Complexiteit van de verdubbeling
Hoewel
José Montalvo en Dominique Hervieu middenin deze
traditie staan en vrijelijk kiezen uit de heterogeniteit aan stijlen en
technieken, voegen zij met hun verkenning van de relatie tussen het
fysieke en
het virtuele lichaam een nieuwe dimensie toe. Met de steeds
geavanceerder montagesystemen
(aanvankelijk het PVR-RT montagesysteem en later Velocity) werden
vernieuwende
ensceneringen mogelijk en werden de manieren om de ruimte te enteren
niet
langer begrensd door het bereik van uitsluitend statische
driedimensionale
aanpassingen. Daarmee konden de makers alle idee van naturalisme (in de
enge
betekenis van ‘het weergeven van de werkelijkheid´)
laten varen. Dat alle
componenten van het spektakel worden beschouwd en gevormd als
‘evenement’, resulteert
meestentijds in een verdubbeling,
in een dualiteit zoals we die sinds Double Trouble (1993) zien. Dankzij
de
visuele interactie tussen de dansers van vlees en bloed en hun avatars
(dubbelprojecties van henzelf in andere tijden en op andere plaatsen,
en aanvankelijk
tegen een witte achtergrond waardoor op het scherm de zwaartekracht
wordt
uitgedaagd) heeft deze verdubbeling volkomen nieuwe effecten mogelijk
gemaakt.
Maar de video is
meer dan een hulpmiddel voor de verruiming
en transformatie van het lichaam. Het gaat om meer. Want het spel met
deze
controle over het menselijke middels een
‘mens-spiegel’ die in gelijke mate in
staat is tot actie, houdt de toeschouwer een reeks variabelen voor, nu
eens als
mise-en-abyme (waarbij aan het personage zijn eigen verhaal of situatie
in
miniatuur of anderszins vervormd wordt gepresenteerd ter zelfobservatie
of als
zelfgelijkenis), dan weer als recursiviteit, feedback of paradox. De
dualiteit tussen
fysiek toneel en virtueel beeld schept ruimte voor een groot scala aan
betekenisschakeringen, waardoor er vaak iets aan de organisatie lijkt
te
ontsnappen. Deze betekenisruimte wordt dan niet zelden nog eens
aanzienlijk
uitvergroot, bijvoorbeeld in de zonderlinge schaduwen van reuzenvoeten
in Paradis
die de door het achterlicht gesuggereerde realiteit ondermijnen, of in
de
enorme gans in Babelle heureuse.
Zijn we hier weer
terug bij de verdringing en het
verdrongene? Zelfs een ‘normale’ verdubbeling
versterkt al de trompe l'œil van
het leven die de drager is van de verontrustende vervreemding, en die
in een
soort duel tussen het werkelijke en het virtuele de associatie
dicteert. Deze
beelden – je zou ze ook vragenstellers kunnen noemen
– in de vorm van
microstructuren (eerst proefgefilmd met een VX1-camera, vervolgens met
een
Betacam-SP en tenslotte teruggebracht tot ‘normaal
beeld’) zijn bedoeld om de
codes te definiëren van de symbolische taal van het onbewuste
en het bewuste,
van de microkosmos en de macrokosmos, van de binnenkant en de
buitenkant. Je
kunt de schuivende beelden opvatten als knappe grappen, als simpele
maar
effectieve trucs en technieken,
maar je
kunt je ook afvragen: Wat zie ik? Wat neem ik waar? Of zoals
Wittgenstein
schreef: ‘Wat doet het met mij wanneer ik een figuur de ene
keer op de ene
manier zie en de andere keer op een andere manier? Zie ik werkelijk
iedere keer
iets anders? Of is dit simpelweg mijn interpretatie waarvan ik zie dat
die
varieert?’ Een dergelijke assemblage van zeer korte en
onderling combineerbare
elementen staat model voor de ondervraging van de perceptie en de
interpretatie
van de beelden. Steeds, zo lijkt het, wordt hetzelfde verbindend
technisch
systeem gebruikt voor representatie en psychisme, waarbij taal, beelden
en
zintuigen de kettingdraden vormen waarin de verschillende betekenissen
met hun
inslag het patroon weven. Met de technologische vooruitgang hebben
Montalvo en
Hervieu dit ordeningsprincipe van voorstelling tot voorstelling
verfijnd: eerst
met de U-matic, toen met de Betacamen en de DV, en tenslotte met de DVC
Pro HD
(Porgy and Bess en Good Morning, Mr. Gershwin); en met de beschikbare
infografie – het grafisch palet voor ruimtelijke after
effects zoals morphing
(d.i. het geleidelijk overvloeien van de ene afbeelding in een andere)
– is inmiddels
een multidisciplinair en multimediaal kinetisch œuvre
opgebouwd dat meer doet
denken aan Laterna magika (Svoboda, 1958) dan aan de ensceneringen met
meerdere
schermen van Wilson of Sellars. De ‘psycho-plastische
ruimte’ (Svoboda) wordt
op het toneel getransformeerd tot een soort driedimensionale
schildering waarin
klanken, gebaren, licht en beweging, kleuren en tijd zich verenigen, en
uit de
interactie tussen die verschillende esthetische domeinen wordt een
nieuwe
diepgang geboren: op dynamische wijze ‘gezapte’
videobeelden, telepresentie,
simulatie en theatrale actie worden gesynchroniseerd, en door de
oneindige
visuele processen en de in een caleidoscopische beweging gelanceerde
collages
van vormen en muziek (Vivaldi, Rameau of musettes) wordt de toeschouwer
ondergedompeld in de effecten van de virtuele werkelijkheid. Daarbij
voegt zich
een soort sonore of zelfs fonetische poëzie die aan het geheel
een ruimtelijke
dynamiek verleent. Deze poëzie verwijst op zijn beurt ook weer
terug, niet
alleen naar de dadaïsten van de jaren 1910-1920 met de
lawaaigedichten van
Tristan Tzara en Hugo Bail, fmsb van Raoul Hausmann, Sonate in Urlauten
van
Kurt Schwitters en naar de latere klanklandschappen
(‘radiofonische syntheses’)
van de Italiaanse Futurist Filippo Tommaso Marinetti uit 1933, maar ook
naar de
‘zaum’, oftewel de ‘transrede’
of ‘voorbijbetekenis’, de metafoor voor het
krioelend leven waarmee de Russische Futuristen hun
linguïstische experimenten
in klanksymbolisme en taalcreatie aanduidden. En dit alles is
tegelijkertijd
aanwezig.
Het is dit in
virtuele tijd (die van de beelden) en in
fysiologische tijd (die van het lichaam) verdubbelde heden dat we
moeten
definiëren. Met betrekking tot Montalvo en Hervieu spreekt men
van ‘collage’,
en onder collagekunst verstaan we het volgende: wat ook de
samengestelde (of elkaar
genaderde) elementen zijn, die elementen zullen, zelfs als ze niets met
elkaar
te maken hebben, uiteindelijk een boodschap afgeven en relaties
genereren en
aldus een nieuwe Betekenis voortbrengen die meer is dan wat elk
individueel
element op zich representeert. Maar deze deconstructie verwijst ook
naar de
intertekstualiteit die de grenzen tussen de diverse artistieke
disciplines
(schilderkunst, theater, dans, poëzie) kan verleggen, zonder
ze evenwel te
ontkennen.
Voor
José Montalvo, verantwoordelijk voor het videoconcept,
is dit collageconcept het ankerpunt. Tijdens zijn studie
kunstsemiologie aan de
universiteit van Vincennes heeft hij zich beziggehouden met de
deconstructivistische en transtekstuele ‘théorie
d'ensemble’ van Gérard Genette
en heeft hij mede vormgegeven aan het debat over het einde van de
avant-garde
en het postmodernisme in de architectuur. Maar het intellect kan op
zijn beurt
in dialoog treden met de eigen adolescente of zelfs kinderlijke
gewaarwordingen. Want het is via het beeld dat Montalvo, fervent
filmliefhebber, in zijn jeugd de dans ontdekte. Zijn moeder was dol op
musicals, en Montalvo herinnert zich hoe hij in de
‘cinéma permanent’ (d.i. een
bioscoop waar doorlopend films werden vertoond en waar je, eenmaal
binnen, zo
lang kon blijven zitten als je wilde) steeds weer insliep en weer
wakker werd
met de klanken van George Gershwin of Cole Porter. Zo oefende hij zich
al jong,
zonder het te weten, in de techniek van montage en collage, en werd de
relatie
tussen beeld en dans ingeslepen en verzegeld in het irrationele, het
geheim en
het suggestieve.
Het uitzonderlijk
plastische systeem waarmee Montalvo beelden,
lichamen en ruimtes ‘distribueert’, verleent aan de
voorstellingen iets dat je
met recht ‘verschijningskracht’ kunt noemen. De
projectievoorstellingen laten
zien hoe betekenisniveaus die normaal gesproken gescheiden blijven
eerst worden
verenigd, om zich vervolgens opnieuw uit te splitsen. De verschillende
tijden –
tijden gerelateerd aan de lichaamsbewegingen, aan de beelden, aan de
perceptie,
aan de interpretatie en aan de beoordeling – plaatsen zich
over de beelden
heen. Terwijl de kinetische ritmes (verschijning-verdwijning van
beelden,
klassieke en eigentijdse dans, capoeira, Afrikaanse dans, break dance,
licht en
kleuren, enzovoort) een perceptie van de werkelijke tijd suggereren, is
het
uiteindelijke resultaat een dynamische object-voorstelling –
dynamisch in de
zin dat deze weliswaar eerst is geconcipieerd in de geest van zijn
schepper,
maar vervolgens wordt ‘geherconcipieerd’ door de
toeschouwer die de
voorstelling via zijn zintuigen waarneemt en in zijn geest opneemt.
Deze
dynamische object-voostelling weeft met kleinere eb- en vloedgolven de
complexe
verbindingen tussen de diverse objecten die aldus samen het geheel
uitmaken.
Dat geheel – de reflecties van een veelkantig lichaam
– is daarmee uiteindelijk
meer dan de som van zijn delen. Alsof deze werken zichzelf voor onze
ogen
organiseren, zo kan iedere ‘compositie’ op zich
(dans, video, gesproken woord,
zang, muziek, enzovoort) een volwaardig universum scheppen waarvan de
bouwstenen evenzeer lijken te zijn bepaald door de experimenteerder (de
kunstenaar, de choreograaf) als, althans in theorie, door de
samenwerking met
de toeschouwer die in feedback de verschillende gewaarwordingen
ondergaat – een
samenwerking die bij beiden, en in gelijke mate, voortkomt uit een
latente wens
de grens tussen zaal en podium te slechten. Zou dit de eigenlijke
betekenis
zijn van de splitsing?
Complex
systeem en
interacties
‘Overal
hebben we te maken met wederzijdse relaties die
verschillende lichamen met elkaar onderhouden, met wederkerige effecten
die
afhangen van de krachten die verschillende lichamen uitoefenen op
elkaar.’ Deze
uitspraak van experimenteel psycholoog Helmholtz kan de gewaarwordingen
die men
ondergaat bij de voorstellingen van het gezelschap Montalvo Hervieu
verduidelijken. Het is in Paradis dat voor het eerst de mogelijkheden
aan het
licht komen die zich in de daaropvolgende stukken als
‘vloedgolven van vertelling’
ad libitum zullen vermenigvuldigen. In een caleidoscoop van licht en
kleur, van
groeps- en individuele bewegingen, verschijnt en ontvouwt zich gans een
bestiarium. En terwijl deze wereld wordt ontdekt, gaat die wereld door
met
zichzelf te scheppen: er verschijnt een hele ménagerie van
dansende
olifant-acrobaten, apen die de voetsporen van de dansers lijken te
volgen,
krokodillen, steigerende of over de grond rollende paarden,
leeuwenbeelden,
klauterende geiten, galopperende of zwemmende tijgers, net uit het ei
gekropen
kuikentjes, vogels, konijnen en vlinders; in Le Jardin io io ito ito
komen daar
hybride en mythologische dieren bij zoals faunen, flamingo’s
met menselijke
benen, vrouwelijke centauren of vrouwvissen; de curieuze wangedrochten
die in Babelle
heureuse hun opwachting maken, lijken te zijn weggelopen uit een
schilderij van
Jeroen Bosch. In de latere stukken worden deze dieren via morphing
helemaal of
gedeeltelijk getransformeerd tot mensen of dienen ze de mensen tot
steun bij
het lopen of rennen.
Een ander aspect
is de interactiviteit, die door te spelen
met tegenstellingen als normaal-abnormaal, onderdrukking-verlangen,
veiligheid-risico, ik-ander, slachtoffer-beul, de ‘machinerie
van de
instincten’ onderstreept. De meest indringende manifestaties
daarvan zien we op
het scherm of de schermen. Waren die schermen aanvankelijk gedacht als
abstracte grenzen geprojecteerd in een schijnbaar soepele en vluchtige
ruimte,
nu zijn ze doorgesneden en gesplitst. Echte en onechte toneelschermen
...
Aangezien het de makers er beslist niet om te doen is de waarheid te
representeren, creëren de barsten en de dubbele barsten
(werkelijke en
virtuele) een overgang tussen de werkelijke wereld en de fictieve of
innerlijke
wereld (die van de verlangens en sublimaties), waarin de dansers
binnensluipen
en in een soort regressie verstoppertje spelen met hun dubbelganger of
hun
‘multigangers’. Via de handelingen,
scènes, dieren en verschijningen wordt een
tussenruimte betreden, een ‘tussen’ dat zich
invoegt of zich tussendringt in
weer een ander ‘tussen’ en dat daarmee de grenzen
tussen het Ik en de Ander,
tussen het belichaamde en het onbelichaamde, vloeibaar maakt.
Wat aldus is
onderzocht, zijn de effecten van interpretatie
en penetratie van sferen en tijden: een spel van circulatio, van
uitwisseling
en snijpunten, dat verwijst naar het eerder behandelde en zonder meer
fundamentele idee van verdubbeling. Als waarachtig cognitieve operatie
in de
zin dat in het traject een systeem of vorm wordt nagestreefd, voegen
inhoud en
actie zich strikt aaneen, maar het spel van de splitsingen leidt ook
tot de
notie van een verborgen oord (nog een ‘achterplan’)
waaruit de samenstellende
vormen van de uit proposities (gewaarwordingen) en dingen
(representaties) opgebouwde
Beelden geboren kunnen worden. Dit verborgen oord getuigt van een
onzichtbaarheid – de ruimte van de dans blijft niet beperkt
tot het toneel – en
dat schept de mogelijkheid voor de vermengingen en trajecten waarvan we
alleen
een overschot te zien krijgen (de voorstelling), niet meer dan
fragmenten,
oftewel de vormen voor zover ze verschijnen in de voorstelling. Het is
een
boomvormig oord dat functioneert als vormgenerator: het doet vormen
verschijnen
die, terwijl ze zich vertakken, de ruimte als in een
‘georganiseerd universum’
bezetten.
Soms wordt dit
verborgen achterplan als een soort bewijs
prominent naar voren gehaald op het scherm. Dat gebeurt bijvoorbeeld in
de loop
van Les Paladins, of in On danse waarin gekostumeerde of naakte
lichamen met
behulp van een trampoline zwevend in de hemel worden geprojecteerd
(project,
projectiel, projectie) en dan plotseling in fresco à la
Tiepolo worden
‘bevroren’ in onze geest. Want dit oord
(lichamen-muziek-dans-geest-wereld), hart
van het systeem, is overduidelijk hetzelfde als dat van de Barok (het
meest
voor de hand liggende label voor een dergelijke heterogeniteit), maar
daarnaast
ook dat van de geschiedenis, van beschavingen, van mensen, van
verschillende
culturen, verschillende talen, beelden en symbolische werelden ontleend
aan
alle culturen.
Nog duidelijker is
die achterkant van het toneel te zien in Porgy
and Bess, waarin een visualisatie van het ‘out of
screen’ zich invoegt, niet
als een tweede vertelling, maar als een tweede gezichtspunt op de actie
vanuit
de diëgetische ruimte. De moord op Robbins door Crown voltrekt
zich buiten het
toneel, maar is op het scherm precies te volgen, zowel in close-up als
in
dwarsdoorsnede. Vervolgens verschijnt in animatie een man zonder
gezicht
(Robbins?) gelegen in een doodskist, wat een durend en daardoor
onontkoombaar
tragisch effect genereert.
Van meet af aan
hebben José Montalvo en
Dominique Hervieu, ieder met hun eigen
sensibiliteit en verhouding tot het repertoire, zich laten leiden door
het
oprechte verlangen de geboorte van het intens pure te tonen, de manier
waarop
iets gestalte krijgt, de beweging, de synergie waarmee de verschillende
componenten
van een voorstelling in werkelijke tijd bij elkaar komen –
als was het een verrijzenis.
Als de begaafde dramaturgen die zij zijn, herontdekten zij daar
vertelling en
personages. Toch is dat wat die personages bezielt niet langer de
fantasie of
het verlangen van de dramaturg, maar het eigen zijn van die personages.
|