Schrijven

Mijn bureau kan teksten van uiteenlopende aard voor u verzorgen, bijvoorbeeld een programmatoelichting bij een concert, subsidie-aanvragen voor culturele instellingen, of cultuurhistorische teksten op basis van onderzoek.

Op deze site zijn onderstaande korte en langere teksten te lezen:

Kijker, Kerk en kosmos: Galilei op de bres voor het copernicaanse systeem

Kijker, Kerk en kosmos: Galilei op de bres voor het copernicaanse systeem

Kijker, Kerk en kosmos: Galilei op de bres voor het copernicaanse systeem

Van de achterflap:

In 1608 toonde de Middelburger Hans Lipperhey zijn eerste, zelfgemaakte telescoop aan Prins Maurits. In Italië hoorde Galilei hiervan. Hij maakte een verbeterde versie van het apparaat en richtte die op de maan en de sterren. Wat hij zag schreef hij op in de Sidereus nuncius (‘Bericht van de sterren’), een boekje vol bewijzen voor de juistheid van Copernicus’ heliocentrische model. De inhoud was explosief, want in tegenspraak met een aantal Bijbelpassages. Om te voorkomen dat de leer van Copernicus verboden zou worden, schreef. De wereld zag er, acht jaar na Lipperhey’s ontdekking, totaal anders uit. Galilei’s verdedigingsgeschriften en de Sidereus nuncius waren bestemd voor een ongeschoold publiek, en zijn dan ook uitstekend leesbaar. Ze zijn nu na vierhonderd jaar voor het eerst in het Nederlands vertaald. Voor deze uitgave vertaalde ik de Brief aan groothertogin Christina (zie bij 'vertalingen') en schreef ik deel van de toelichtende teksten.

Lees waarom de Kerk in 1616 eigenlijk de leer van Copernicus verbood.

Programmatoelichting bij Le vin herbé van Frank Martin

Programmatoelichting bij Le vin herbé van Frank Martin

Programmatoelichting bij Le vin herbé van Frank Martin

Le vin herbé: synthese en doorbraak

Sinds Richard Wagner leek de mythe van Tristan en Isolde het eigendom van de Germaanse cultuur: welke componist zou immers het risico willen lopen dat zijn versie voor altijd zou worden vergeleken met die van de meester van Bayreuth? De jonge Claude Debussy durfde het in ieder geval niet aan en nam in plaats daarvan zijn toevlucht tot het verhaal van Pelléas en Mélisande van de Franse symbolist Maeterlinck, dat qua thematiek en personages zeer verwant is met de legende van de Tristan. Toen de Franstalige Zwitser Frank Martin (1890-1974) een halve eeuw later, in 1938, drie hoofdstukken uit de rond 1900 geschreven Tristan-roman van Joseph Bédier op muziek zette, markeerde dit de doorbraak tot zijn eigen stijl. Martin was toen 48 jaar oud en had zojuist enige experimenten met de twaalftoonsmuziek achter de rug. Voor hem vormde Wagner, die van de generatie van zijn grootvader was, niet langer een obstakel.

Frank Martin is geboren en opgegroeid in Genève als zoon van een Calvinistisch dominee. Na zijn studies piano en muziektheorie verbleef hij onder meer enige tijd in Zürich, Rome en Parijs, en vervolgens keerde hij terug naar Genève waar hij een belangrijke rol vervulde in het muziekleven. Kort na de Tweede Wereldoorlog vestigde hij zich in Amsterdam. Directe aanleiding daarvoor was zijn huwelijk met de Nederlandse fluitiste Maria Boeke, maar het kwam hem ook goed uit dat hij in Nederland wat afstand kon nemen van de drukke werkzaamheden die hem in Genève zozeer in beslag hadden genomen dat hij aan componeren niet meer toekwam.

Het veelomvattend œuvre van Martin laat een gestage en natuurlijke ontwikkeling zien, waarop tal van contemporaine stromingen hun uitwerking hebben gehad. De jeugdwerken lijken vooral bepaald door Duitse voorgangers, maar al snel wordt de invloed van Fauré, Debussy en Ravel hoorbaar. Onder invloed van zijn vriend Dalcroze verkende Martin de mogelijkheden van exotische ritmes en melodieën en van volksmuziek, maar hij was niet zo gelukkig met het feit dat hij daarin zijn voorliefde voor chromatiek en dissonante akkoorden niet kwijt kon. Dat was dan ook de aanleiding om zich te verdiepen in het twaalftoonsysteem van Arnold Schönberg, dat immers met het opheffen van de beperkingen van de traditionele cadens en de diatonische toonladder een grote mate van vrijheid bood.

De nieuwe verworvenheden paste hij meteen toe in zijn composities, onder meer in de Quatre pièces brèves voor gitaar uit 1933 en het Eerste Pianoconcert (1933-1934). Het concept van atonaliteit als een vorm van muzikale anarchie wees hij echter af; in plaats daarvan ontwikkelde hij een synthese tussen de chromatische en twaalftoonstechniek waarin weliswaar seriële procédé’s werden toegepast, maar de melodie behouden bleef.

Le vin herbé

In 1938 kreeg Martin het verzoek een werk te schrijven van een half uur voor het Madrigalchor van Robert Blum in Zürich. Dit werd Le Philtre (‘de toverdrank’), het eerste deel van het huidige Le Vin Herbé. “De taal van Joseph Bédier ondersteunde mij zoals geen ander proza had kunnen doen”, zo lichtte de componist zijn keuze voor Bédiers bewerking van het verhaal van Tristan en Isolde toe, “en dankzij zijn uitzonderlijk goede gevoel voor ritme, voor de verhoudingen en voor de psychologische voortgang van de handeling, kon ik de tekst zo op muziek zetten als ze was, hetgeen een ondubbelzinnig bewijs is van haar volkomenheid.” Bij de première van Le Philtre in 1940 viel het werk zo’n warm onthaal ten deel dat Martin besloot het te voltooien met nog twee hoofdstukken uit de roman van Bédier: ‘La forêt du Morois’ – waar beschreven wordt dat de geliefden besluiten uit elkaar te gaan – en ‘La Mort’. Het werk kreeg zo een afgeronde vorm en omvatte de gehele tragische geschiedenis, zodat, aldus Martin, “in deze Sage van Liefde en Dood niet alleen de Liefde wordt uitgebeeld, maar na alle vreugde en angst van de hartstocht ook de Dood zijn vrede kan brengen.” Het uiteindelijke driedelige werk wordt omsloten door een proloog en een epiloog die als een kader fungeren en het werk tot een geheel maken.

Le Vin Herbé is het eerste werk waarin de nieuwe stijl van Martin tot volle wasdom is gekomen en waarin hij een balans heeft gevonden tussen de expressieve vrijheid die het twaalftoonsysteem verschaft en zijn eigen behoefte in de traditie van de westerse muziek te blijven door een tonaal besef te handhaven. Dat tonale besef creëert hij door de reeks zo op te bouwen dat daarbinnen enkele of vele kleine of grote drieklanken zijn samen te stellen uit opeenvolgende tonen. Dankzij deze drieklanken bestaat de harmonie vaak uit bekende akkoorden met ‘verkeerde’ bastonen. Op andere momenten is echter een puur consonante harmonie te horen, zoals bij Tristans dood en bij het overlijden van Isolde, waar de klagende muziek oplost in een troostrijke majeur drieklank. De vergankelijkheid van deze harmonische helderheid maakt het effect ervan echter des te droeviger.

Het stuk is geschreven in een monodische stijl: Martin heeft afgezien van elk contrapunt dat de woorden onverstaanbaar zou hebben gemaakt, evenals van tekstherhalingen die de vertelling zouden vertragen (de enige uitzondering daarop vormt de klacht ‘Tristan est mort’ in het derde deel). De vertelling zelf wordt afwisselend toegewezen aan het koor, de solisten of de kleinere rolzangers die zich voor de afzonderlijke rollen losmaken uit het koor en in de directe rede zingen. Het koor wordt ook ingezet als begeleiding van bepaalde grote sologedeelten, met name die van Brangien (bediende van Iseult), daar waar zij de onontkoombare macht van het noodlot tot uitdrukking brengt. De zeven strijkers en de piano die samen het ensemble vormen worden terughoudend, maar niettemin bijzonder effectief ingezet en verlenen vaak met een ritmische puls vaart aan de beweging. Bovendien volgen zij het verhaal op de voet. Zo is in het derde deel goed te horen hoe de begeleiding, die eerst in een triolenbeweging het schommelen van het schip laat horen, tevens het moment hoorbaar maakt dat Iseult van boord gaat en aan land stapt.

Voortzetting

Met zijn cantate Le Vin Herbé plaatste Martin zich binnen de Europese oratoriumtraditie, die hij vervolgens heeft voortgezet met religieuze werken als In Terra Pax (1944), Golgotha (1945-1948, naar aanleiding de Rembrandts ets ‘De drie kruisen’), en het grootschalige kerstspel Mystère de la Nativité (1959). Als resultaat van zijn pogingen om zijn nieuwe stijl ook ‘woordeloos’ toe te passen, kwam al spoedig na de totstandkoming van Le Philtre tevens een groot aantal instrumentale werken tot stand, zoals de Sonata da chiesa (1938), een reeks Ballades voor solo-instrument en orkest, en de Petite symphonie concertante (1944-1945), het werk voor solo harp en piano met dubbel strijkorkest waarmee hij internationale bekendheid verwierf.

Programmatoelichting bij Lamentaties van Lassus

Programmatoelichting bij Lamentaties van Lassus

Programmatoelichting bij Lamentaties van Lassus

Orlando di Lasso: Lamentaties van de profeet Jeremia

In 587 v. Chr. werden Jeruzalem en de tempel door de Chaldeeuwse hordes van Nebukadnezar verwoest en werd de bevolking in ballingschap naar Babylonië gevoerd. De vijf hartverscheurende Klaagzangen (Lamentaties) van de profeet Jeremia over deze gebeurtenissen behoren tot de meest ontroerende teksten in het Oude Testament. Achteraf is makkelijk vast te stellen dat de Babylonische Ballingschap niet het einde betekende voor het joodse volk en de joodse religie, maar voor de dichter(s) van de Klaagzangen moet het er wanhopig hebben uitgezien: Jeruzalem, het symbool van nationale eenheid, lag in puin, en ook de tempel, het symbool van religieuze eenheid, was verwoest. Met de verwoesting van de tempel was bovendien ook God zelf verdreven uit zijn woonplaats en moest Zijn Volk Zijn aanwezigheid ontberen.

De Klaagzangen

In de joodse traditie wordt het boek van de Klaagzangen in de synagogen gereciteerd op de 9e dag van de maand Aw (juli of augustus), de treurdag over de ondergang van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel. Uit het feit dat sinds de Tweede Wereldoorlog op deze dag van rouw ook de slachtoffers van het nazi-regime worden herdacht, blijkt al dat de Klaagzangen in de loop der eeuwen een universele zeggingskracht hebben gekregen.

In de katholieke liturgie is een selectie uit de Klaagzangen als lezingen (Lectiones) opgenomen in de liturgie van het triduüm van de Goede Week (Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag), niet alleen omdat zij de uitdrukking zijn van klacht en boete, maar ook vanwege Jezus’ voorspelling dat de tempel weliswaar verwoest zou worden, maar dat hij die in drie dagen weer zou doen herrijzen. De katholieke Kerk heeft deze uitspraak van Jezus opgevat als een vooruitwijzing naar de komst van het christendom, waarin het (met Pasen) herrezen lichaam van de Heer beschouwd wordt als de woonplaats van God en als zodanig het middelpunt vormt van de eredienst.

Tijdens de donkere metten van het triduüm worden steeds drie Lectiones gelezen of gezongen. Orlando di Lasso (1532-1594) volgt deze indeling in drie maal drie Lectiones (drie voor iedere dag van het triduüm). Uit het feit dat de meeste componisten deze indeling respecteren, maar daarbinnen verschillende verzen getoonzet hebben, kan worden afgeleid dat er binnen de vastgestelde selectie een zekere keuzevrijheid bestond. De oproep ’Jeruzalem convertere ad Dominum Deum Tuum’ (‘Jeruzalem, bekeert u tot de Heer uw God’) waar iedere Lectio mee wordt afgesloten, is eigenlijk afkomstig uit Hosea 14:1.

De eerste letters van de Hebreeuwse openingswoorden van de verzen vormen achter elkaar gezet de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet: Aleph, Beth, Gimel, Dalet, Heth... Hoewel dergelijke acrostische of letterverzen oorspronkelijk waarschijnlijk zowel een numerieke als een mnemotechnische functie hadden, hebben de vertalers van de Vulgaat (de Latijnse bijbelvertaling van de grondtekst uit het jaar 405) de Semitische beginletters gehandhaafd vanwege de poëtische en bezwerende werking die ervan uitgaat. Voor componisten vormden de letters een welkome mogelijkheid voor uitgebreide melisma’s, en zo wordt in de toonzettingen van de Lamentaties de expliciet op tekst van de verzen geschreven muziek geplaatst naast de tekstloze `absolute muziek’ van de letters – een min of meer toevallig, maar toch uniek fenomeen voor die tijd.

De Klaagzangen zijn voor veel componisten een bron van inspiratie geweest, en het meest productief was in dat opzicht de zestiende eeuw, en de zettingen van Morales (Venetië, 1564), Victoria (Rome, 1581), Lassus (München, 1585), en Palestrina (vijf boeken vanaf 1564 tot 1588) worden over het algemeen beschouwd als de meest geslaagde. In de drie dagen van het triduüm werd de liturgie zo sober mogelijk gehouden, en om die reden zijn deze 16e-eeuwse Lamentaties allemaal a capella. Een zetting van Morales wordt echter reeds in 1554 bewerkt voor luit en solostem, en wijst zo vooruit naar de monodische Lamentaties in de stile moderno die in de zeventiende eeuw populair werd. Daarna raakt het genre steeds meer op de achtergrond, om in de twintigste eeuw een korte opleving te beleven, met als hoogtepunten de Lamentaties van Ernest Krenék en Igor Strawinsky.

Lassus

Lassus, somber van aard en zeer bezorgd om zijn zielenheil, is sterk beïnvloed door de strenge leer van de Contrareformatie. Zijn latere leven werd getekend door 'melancholia hypochondriaca cum capitis dolore', en dat bracht hem ertoe zijn toevlucht te zoeken tot teksten waarin boetedoening en erkenning van de menselijke zwakheid centraal stonden. Toen Lassus in 1585 de Klaagzangen componeerde, had hij de jaren van het experimentele chromatisme en andere vernieuwingen al ver achter zich gelaten. De retorica is gesublimeerd, en in de woordschilderingen – zoals het dalend motief op ‘caderet’ (‘viel’), de aaneenschakeling van dissonanten op ‘crudelis’ (`zonder mededogen’) of de rust na ‘tacebit’ (`zweeg’) – is nooit sprake van gratuit effectbejag.

Aan de Hebreeuwse letters is veel aandacht besteed, en in sommige gevallen duren ze bijna net zo lang als het bijbehorende vers. De verzen zelf zijn geschreven in de stijl van het meest strenge motet. De harmonie is in wezen consonant en de maat is onveranderlijk alla breve. Hoewel de stemmen zich over het algemeen in het lage register bewegen, weet de latere Lassus precies hoe hij de topnoten moet plaatsen om ze een maximale zeggingskracht te geven. De intieme tricinia en quatrocinia vormen een aangrijpend tegenwicht tegen de hartstochtelijke exclamatio, die door basso ostinato’s, woordaccenten op zwakke maatdelen en ongewoon hoge inzetten (bijvoorbeeld in de ‘Jod’ van de eerste lezing van de derde dag) op spanning wordt gehouden, alvorens uit te monden in een rustig akkoord.

Programmatoelichting bij Luit-intavolaties van de beide Gabrieli's

Programmatoelichting bij Luit-intavolaties van de beide Gabrieli's

Programmatoelichting bij Luit-intavolaties van de beide Gabrieli's

Op het programma staan luit-intavolaties naar werken van Andrea Gabrieli (1510-1586) en zijn neef Giovanni Gabrieli (1553-1612).

Andrea Gabrieli, een van de meest veelzijdige componisten van zijn tijd, gaf de school van de in Venetië geboren componisten internationale allure. Giovanni Gabrieli – die zijn oom in 1594 opvolgde als tweede organist van de San Marco – was de meest invloedrijke vertegenwoordiger van de Venetiaanse school.Op het programma staan luit-intavolaties naar werken van Andrea Gabrieli (1510-1586) en zijn neef Giovanni Gabrieli (1553-1612).

Muziek voor de luit als solo-instrument werd vanaf het begin van de zestiende eeuw vastgelegd in een notatiesysteem dat ‘tabulatuur’ wordt genoemd (naar de ‘tabula’ of de tabel waarin de compositie werd genoteerd). In dit notatiesysteem wordt niet zoals in het ‘gewone’ notenschrift op een notenbalk de toonhoogte weergegeven, maar wordt met behulp van cijfers of letters de greep weergegeven waarmee die toon wordt gemaakt.Op het programma staan luit-intavolaties naar werken van Andrea Gabrieli (1510-1586) en zijn neef Giovanni Gabrieli (1553-1612).

Luit-intavolaties zijn overzettingen naar tabulatuurschrift van geliefde meerstemmige vocale werken of van werken die oorspronkelijk voor andere instrumenten dan de luit waren geschreven. De intavolaties die hier op het programma staan zijn afkomstig uit twee bundels van samensteller en bewerker Giovanni Antonio Terzi. Dergelijke bundels waren bestemd voor het musiceren in huiselijke kring. Ze waren uiterst populair in de zestiende eeuw, en op die manier kregen werken van componisten als Andrea en Giovanni Gabrieli ook ver buiten hun eigen woonplaats een ruime bekendheid.

Toelichting (handout) bij de tentoonstelling DE HARINXMA'S even terug THOE SLOOTEN

Toelichting (handout)  bij de tentoonstelling DE HARINXMA'S even terug THOE SLOOTEN

Toelichting (handout) bij de tentoonstelling DE HARINXMA'S even terug THOE SLOOTEN

DE HARINXMA's even terug THOE SLOOTEN
handout bij de tentoonstelling in Museum stedhús Sleat mei - oktober 2010

Als je ergens ‘even terug’ bent, dan impliceert dat dat je daar ooit gewoond hebt, maar nu niet meer. En dat geldt ook voor de Van Harinxma’s thoe Slooten: ooit hebben zij hier gewoond, ooit hadden zij hier de macht en hebben zij hun naam verbonden aan deze stad.

Maar hoe zijn ze hier terechtgekomen? Is hun geschiedenis verweven met het ontstaan van de stad, of verschijnen ze pas later op het toneel? En wat is er gebeurd dat ze Sloten ook weer verlaten hebben? Wanneer was dat, en waarom? Was het een vrije keuze, was er sprake van een dramatische gebeurtenis? Hoe is het hun daarna vergaan? De naam van deze oude hoofdelingenfamilie spreekt nog altijd tot de verbeelding. Hun nazaten hebben tot ver in de twintigste eeuw een belangrijke rol gespeeld in het openbaar bestuur, en met name in Friesland. Hoe komt het dat dit hen wel gelukt is, en andere hoofdelingenfamilies niet?

Deze tentoonstelling vertelt het verhaal van de Van Harinxma’s thoe Sloten vanaf stamvader en naamgever Haring Donia. Er is een grote stamboom gemaakt waarop alle personen en de belangrijkste gebeurtenissen zijn weergegeven. Zo kunt u de tentoongestelde portretten en documenten plaatsen en hoeft u niet te verdwalen in alle Agges, Bockes, Pieters, Catharina’s, Rixiarda´s, Binnerts, enzovoort.

Om u in dit verhaal wat wegwijs te maken, schetsen we hier de grote lijnen, en krijgt u natuurlijk ook antwoord op de vragen die hierboven werden gesteld.

DE STICHTERS VAN SLOTEN

Strikt genomen zijn de Harinxma´s niet de stichters van Sloten. De naamgever en stamvader van de familie is Haring Donia. Die leeft omstreeks 1400 in Heeg, en Sloten bestaat dan al zo’n 150 jaar. Maar er is wel een relatie tussen de voorouders van Haring Donia en de stichting van Sloten.

Dat zit zo. Vanaf ongeveer 1200 heeft het lage midden van Friesland te kampen met grote wateroverlast. Om die te bestrijden, werd een stuk hoogveen doorgegraven zodat het water kon afvloeien naar de Zuiderzee. En daarmee ontstond een nieuwe vaarverbinding met de Zuiderzee, en daarmee met Utrecht en de IJsselsteden. In die periode zijn het de voorouders van Haring Donia die in dit gebied oppermachtig zijn. Zij zijn het dan ook die bij het strategisch gelegen kruispunt van de nieuwe waterweg met de oudere landweg twee stinzen bouwen. Daar omheen is Sloten gegroeid.

Van deze ontstaansgeschiedenis is een animatie gemaakt. Die is te bekijken op het scherm dat nu tijdelijk op de overloop staat. Even verderop, in de andere ruimte op deze verdieping, wordt een en ander verteld en getoond van de stinzen in Sloten. Daar staan ook twee maquettes.

DE HARINXMA'S VESTIGEN ZICH IN SLOTEN

Haring Donia zelf werd rond 1400 benoemd tot potestaat – zeg maar legeraanvoerder – van Westergo – de westelijke helft van het huidige Friesland. Hij was dus een behoorlijk machtig man, en zal op krijgsgebied zijn sporen wel verdiend hebben. In 1401 trouwt zijn oudste zoon Agge met de enige dochter en erfgename van de machtige hoofdeling Rienck Bockema uit Sneek.

Voor de Harixma’s is dat een uitgelezen kans om de eigen macht uit te breiden en te consolideren. In de loop van de 15e eeuw weten de zoons en kleinzoons van Haring Donia via andere huwelijken, maar ook met regelrechte veroveringen, de nieuwe vaarweg onder hun beheer te krijgen - met als kralen aan een snoer de steunpunten Sneek, IJlst, Heeg, Woudsend en Sloten.

Consolidatie van de macht

Als je de macht eenmaal hebt, wil je die ook houden, en dat is in de vetemaatschappij die Friesland dan nog is nog niet zo eenvoudig. Wie Schieringer is en wie Vetkoper, wisselt namelijk nogal eens, en de scheidslijnen tussen de verschillende allianties lopen vaak dwars door familieverbanden heen.

Het gebeurt dan ook niet zelden dat neven en achterneven elkaar flink in de weg zitten. Dat was ook het geval met de kleinzonen en achterkleinzonen van Haring Donia. Op de stamboom beneden is bijvoorbeeld te lezen hoe Bocke Harinxma zijn neef verdrijft uit de tweede stins in Sloten, en daar zijn zoon Watze op zet. Deze Watze krijgt het op zijn beurt aan de stok met zijn achterneef, de beruchte Igo Galama uit Koudum, bijgenaamd ‘het woudzwijn’.

Huurlingen

De zoon van Watze is Pieter Harinxma, een achterachterkleinzoon van Haring Donia. Van hem is het portret dat op het affiche staat. Pieter lijkt een heel gesoigneerde heer – hij heeft nota bene een bloempje in zijn hand. Je kunt je dan ook maar moeilijk voorstellen dat hij de volgende dag weer in wapenrok door het natte Friese land banjert om het op te nemen tegen een of andere tegenstrever.

Maar in tegenstelling tot zijn voorgangers, hoeft hij dat waarschijnlijk niet meer persoonlijk te doen. Inmiddels werden namelijk huurlingen ingezet, op grote schaal en door alle strijdende partijen. Die huurlingen zijn natuurlijk geen oplossing voor de problemen in de Friese vetemaatschappij, maar kosten ondertussen wel handenvol geld. En wat denkt u dat die huurlingen doen als er geen geld meer is voor de soldij? Die slaan aan het plunderen, of nemen andere rigoureuze maatregelen.

Dat ondervond Bocke Harinxma, broer van Pieter, die door zijn eigen huurlingen werd gegijzeld en zwaar mishandeld. Ze worden vrijgekocht met hulp van de Groningers, maar de prijs voor die hulp is dat de Schieringers zich moeten aansluiten bij Groningen.

Einde Friese vrijheid

Om zich vervolgens weer van de Groningers te ontdoen, wenden de Schieringers zich tot hertog Albrecht van Saksen. En Albrecht klaart de klus: hij verdrijft de Groningers, herstelt de rust, maar brengt de vrije Friezen ook weer onder het centraal gezag van het Heilige Roomse Rijk.

Met het einde van de Friese vrijheid wordt ook de macht van de hoofdelingen aan banden gelegd. Pieters pleegzoon en erfgenaam – Watze geheten naar zijn grootvader – moet zelfs zijn huis afstaan aan de Hertog. Die eist het op als steunpunt voor zijn gezag, omdat het 'zeer sterck ende schoon' was. Of de familie dan nog wel de andere stins in Sloten in bezit heeft is niet bekend. De Harinxma’s blijven hoe dan ook wel in Sloten wonen, maar niet zo heel lang meer.

Naar Emden

De laatste is namelijk Watze´s kleinzoon Homme. Homme was hier burgemeester maar moest de stad in 1560 ontvluchten, om religieus-politieke redenen. Met zijn gezin zocht hij een veilig heenkomen in de Duitse havenstad Emden. Hun kinderen zien we terug in andere wijkplaatsen van de Calvinisten: in Londen, of in Genève, waar hun zoon Pieter gaat studeren.

Doedt van Mockema

Homme overlijdt in Emden en zal Friesland dus nooit terugzien. Zijn weduwe Doedt van Mockema keert wel terug, maar niet naar Sloten. Zij neemt haar intrek in het familieslot van de Mockema’s: Sjuksmastate in Waaxens, in het verre Noorden van Friesland.

Het huis in Sloten is in de strijd tegen de Spanjaarden namelijk zwaar beschadigd, en het bouwmateriaal dat bedoeld was voor het herstel is geroofd en gebruikt voor de stadsomwalling. Die zijn in 1580 opnieuw aangelegd als verdediging tegen de Spanjaarden. Het verzoekschrift waarin Doedt de Staten van Friesland vraagt om een vergoeding voor het geroofde materiaal, is voor het eerst in Sloten tentoongesteld in één van de vitrines beneden.

Doedt is hoogbejaard als ze overlijdt. In de tentoonstellingsruimte is het dootboeck te zien dat is opgetekend door Ernst Harinxma van Donia (uit een andere Harinxmatak dus). Daarin schreef hij: Op een Sondach voormiddach onder die predikatie sterff Jfr. Doed Mockma, weduwe van Homme Harinxma tot Sloeten, olt 94 jaer.

TERUG IN FRIESLAND

Eenmaal terug in Friesland, zijn de Van Harinxma’s thoe Slooten net als andere Friese adellijke families veel meer dan voorheen internationaal georiënteerd. Dochters verblijven een tijdje bij adellijke families in Engeland om goede manieren te leren, de zoons studeren in het buitenland. De familie doet ook enthousiast mee aan de mode van de alba amicorum – oftewel vriendenalbums.

Alba amicorum

Het is de moeite waard even stil te staan bij die alba. Ze gelden als de voorloper van het poeziealbum, dat tot op de dag vandaag populair is bij meisjes. Maar in de zeventiende eeuw zijn het vooral de studenten die er zo’n album op nahouden. Op hun reizen langs Europese universiteitssteden verzamelen ze bijdragen van professoren en medestudenten.

Het bijzondere aan de Harinxma-alba is dat vier ervan zijn aangelegd door vrouwen. Dat is voor die tijd heel ongebruikelijk. Ze zijn bovendien zeer luxueus uitgevoerd. Helaas zijn deze alba erg kostbaar en kwetsbaar, en ze worden niet uitgeleend voor tentoonstellingen. Maar u kunt er wel doorheen bladeren: alle pagina’s zijn namelijk gescand en worden in de tentoonstellingsruimte getoond in een doorlopende diavoorstelling.

Grietmannen en Commissarissen des Konings

Ook al gaat het de familie dus goed daar in het noorden van Friesland, zij worden niet van meet af aan opgenomen in de exclusieve kring van grietmanfamilies. Maar het ontbreekt hen niet aan ambitie, en net als vroeger in de Zuidwesthoek sluiten ze strategische huwelijken. Dat pakt vaak goed uit, maar niet altijd. Leest u op de stamboom maar eens het relaas over het huwelijk van een kleinzoon van burgemeester Homme van Harinxma met Catharina van Camminga.

Pas aan het eind van de zeventiende eeuw, zo´n honderd jaar nadat Homme en zijn gezin uit Sloten zijn weggetrokken, weet de familie weer zo’n lucratief grietmansambt te bemachtigen. Vanaf dat moment levert haast iedere generatie wel één of meer grietmannen.

Rond 1900 zijn het geen grietmannen meer, maar zien we twee Commissarissen des Konings, later van de Koningin. De beide CvK´s Van Harinxma thoe Slooten hebben veel voor Friesland gedaan. Binnert Van Harinxma thoe Slooten heeft de aanleg van de Nieuwe Zwemmer en het Tjongerkanaal bevorderd. En naar zijn zoon Pieter is het Harinxmakanaal vernoemd.

En zo zijn we weer terug bij de Friese waterhuishouding waar deze geschiedenis ook mee begon, en is de cirkel rond.

Referenties

  • Over Kijker, Kerk en kosmos: Galilei's 'Bericht van de sterren' en zijn 'Brief aan groothertogin Christina' (uit het Italiaans)
    Agricola, Van Helden en Van Impe plaatsen 'Bericht van de sterren' op voorbeeldige wijze in zijn historische context.
    (recensie van Marnix Verplancke in de Vlaamse kwaliteitskrant De Morgen, 20 december 2017)
  • Over Kijker, Kerk en kosmos: Galilei's 'Bericht van de sterren' en zijn 'Brief aan groothertogin Christina' (uit het Italiaans)
    Galilei's glanzende volzinnen werden door haar in even zo vloeiend Nederlands omgezet.
    (recensie van een lezer op bol.com)
  • Kijker, Kerk en kosmos: Galilei;s 'Bericht van de sterren' en zijn 'Brief aan groothertogin Christina' (uit het Italiaans)
    Ik vind het resultaat geweldig, zowel de vertalingen als de omringende in- en uitluidende commentaren, het vele werk voor alle nauwkeurige voetnoten enz.
    (mail van een lezer, 21 december 2017)

    lees meer

  • Tentoonstelling 'Beperkt en geknot' over het dagelijks leven in Sloten tijdens de tweede wereldoorlog
    Dit is echt een hele mooie WO-2 expositie. Geeft de sfeer van de bezettingsjaren, echt beklemmend! Mijn complimenten voor de bouwer!
    (Ab Troen-Borst van Beeldbank WO2 in het gastenboek bij de tentoonstelling)
  • Fabel en geschiedenis. Beschouwingen over de kerststal (vertaling Italiaans essay van Giorgio Agamben)
    Had ik je al laten weten dat ik je vertaling van Agamben buitengewoon knap en goed vind?
    (Mail van de uitgever van Feit & Fictie)

    lees meer

  • Boventiteling C'est comme ca et me faites pas chier, van Rodrigo Garcia
    Bedankt voor de vertaling - mooi op tijd! En mooi vertaald bovendien. Ik werk graag met deze stijl: helder en to the point.
    (Erik Borgman, boventitelaar, april 2010)
  • Hitler: Vergelding, Ian Kershaw (vertaald uit het Engels)
    De vertaling is ronduit schitterend. Geen spoor van Engelse zinsconstructies, een rijke taal. Kortom uitstekende kwaliteit.
    (mail van lezer Karel Colpaert aan de uitgever)
  • Toelichting van theatermaker Heiner Müller bij Quartett (vertaald uit het Duits)
    Dank Margriet. Wat werk jij eigenlijk ontzettend snel. Echt heel fijn om met jou samen te werken en we zijn blij met je werk.
    (Erna Theys, print en publishing Holland Festival)
  • Redactie studieboek Risico- en crisismanagement
    'Margriet heeft geweldig werk verricht. De toegankelijkheid en de begrijpelijkheid is zeer verbeterd. Dank haar daarvoor.'
    (auteurs in een mail aan de uitgever)